19 resultaten gevonden voor 'hypoglykemie'

  • Hypoglykemie ICPC-2: T87; ICD-10: E16.2

    Hypoglykemie is een klinisch syndroom (trias van Whipple): neuroglycopene symptomen, een verlaagde plasmaglucosewaarde en symptoomherstel na glucosetoevoer. Een hypoglycemie (bloedsuiker < 3,8 mmol/l) manifesteert zich veelal met alarmsymptomen via een activering van het autonome, sympathische zenuwstelsel. Klachten als hartkloppingen, zweten, trillen en onrust met hongersensaties treden dan op, tenminste als deze ‘zenuwreflex’ voor een hypoglycemie intact is.1 Deze ‘hypoglycaemia awareness’ is kennelijk nodig voor een functionele alarmfase. Bij het verder dalen van de bloedsuiker (< 2,8 mmol/l) ontstaan ernstigere verschijnselen die duiden op een suikertekort in de hersenen (ook wel: neuroglycopenie), zoals verwardheid, agressief gedrag, onscherp zien en coördinatiestoornissen. Als correctie van de hypoglycemie uitblijft volgt bewustzijnsverlies, soms met epileptische insulten of coma. Zeer zelden treedt de dood in. De literatuur is niet eenduidig over de afkapwaarde voor de definitie hypoglycemie, maar geeft wel aan dat het verdwijnen van hypoklachten na inname van suikers de vaststelling van een hypoglycemie ondersteunt. Een ernstige hypoglycemie is een hypoglycemie waarbij voor correctie hulp van derden nodig is. Meestal verloopt een hypoglycemie evenwel mild, subklinisch, (onbewust) gecorrigeerd met een ‘tussendoortje’ of een andere vorm van reactief eetgedrag. Het optreden van een ernstige hypoglycemie bij een oudere kwetsbare patiënt met diabetes is geassocieerd met verhoogde risico’s van hart- en vaatziekten, cognitief functieverlies (Alzheimer) en ongunstige uitkomsten bij ernstige ziekten. Het is nog onbekend in welke mate deze associates oorzakelijk zijn.2

    Lees verder ›
  • C-peptide

    Evaluatie van de pancreasrestfunctie ten aanzien van insulineproductie en eventuele bevestiging van overmaat aan exogeen insuline als oorzaak voor hypoglykemie.

    Lees verder ›
  • Insuline

    Bepalen van insuline voor bevestiging van een insulinoom, diagnostiek van onverklaarde hypoglykemieën of de lokalisatie van insulineproducerende tumoren met behulp van selectieve sampling.

    Lees verder ›
  • Giardia lamblia

    Giardiasis wordt veroorzaakt door de eencellige darmparasiet () , die ook wel of wordt genoemd.

    Lees verder ›
  • Groeihormoon (+ stimulatie- en remmingstests) (GH)

    Bepaling van groeihormoon en het opsporen van de oorzaken van te lage en te hoge waarden.

    Lees verder ›
  • Fructose

    Bepaling van fructose in serum, plasma of urine.

    Lees verder ›
  • Glutamaatdehydrogenase (GDH)

    Aantonen van hyperactiviteit van het glutamaatdehydrogenase (GDH) ten behoeve van het stellen van de diagnose HIHA (hyperinsulinisme-hyperammoniëmie)-syndroom, beschreven door Stanley et al. (1998).

    Lees verder ›
  • Adrenocorticotroop hormoon (ACTH) en ACTH-functietests

    Het meten van de reservecapaciteit van de hypofyse, dan wel de bijnier voor ACTH- of cortisolproductie.

    Lees verder ›
  • Duizeligheid ICPC-2: N17; ICD-10: R42

    Duizeligheid is een onaangename sensatie van bewegingspatronen die in werkelijkheid niet bestaan; het is een verzamelnaam voor uiteenlopende vormen van onvast-zijn, zoals draaiduizeligheid, zweverigheid, licht gevoel in het hoofd en balansstoornis. Draaiduizeligheid of vertigo is de illusie van het ondergaan van een draaibeweging.

    Lees verder ›
  • Epilepsie ICPC-2: N88; ICD-10: G40

    Epilepsie wordt gekenmerkt door het herhaald optreden van epileptische aanvallen. Dat zijn aanvallen van gedragsverandering of sensaties die het gevolg zijn van excessieve ontladingen van (populaties van) neuronen in de hersenen.

    Lees verder ›
  • Ziekte van Addison ICPC-2: T99; ICD-10: E27.1

    De ziekte van Addison is een primaire bijnierschorsinsufficiëntie, met uitval van de in de bijnierschors geproduceerde steroïdhormonen (glucocorticoïden, mineralocorticoïden en androgenen), veelal als uiting van een auto-immuun adrenalitis.

    Lees verder ›
  • Alcohol

    Analyse van alcohol (ethanol) in bloed.

    Lees verder ›
  • Carnitine

    Meting van de concentraties van vrij L-carnitine en acylcarnitine species in plasma vindt plaats wanneer gedacht wordt aan een defect in de mitochondriële β-oxidatie van vetzuren (vetzuuroxidatiedefect, VZOD) of aan een organo-acidurie.

    Lees verder ›
  • Catecholaminen en metabolieten

    Bepaling van catecholaminen of de basische en zure metabolieten voor de diagnostiek van catecholamine-producerende tumoren.

    Lees verder ›
  • Coma ICPC-2: A07; ICD-10: R40.2

    Toestand van verlaagd bewustzijn waaruit een patiënt, ondanks pijnprikkels, niet te wekken is.

    Lees verder ›
  • Lactaat

    Nader onderzoek acidose. Verdenking metabole stoornis.

    Lees verder ›
  • Prolactine (PRL)

    Het bepalen van prolactine in bloed.

    Lees verder ›
  • Malaria ICPC-2: A73; ICD-10: B54

    Malaria is een protozoaire infectie.

    Lees verder ›
  • Syncope ICPC-2: A06; ICD-10: R55

    Syncope (een flauwte) is een specifieke vorm van een wegraking waarbij plotseling, kortdurend bewustzijnsverlies optreedt berustend op afname van de bloedvoorziening van de hersenen. Een syncope gaat gepaard met spierverslapping, waardoor de patiënt valt wanneer hij staat of zit.1-3

    Lees verder ›