Alle artikelen

  • Medisch laboratoriumonderzoek

    1 Algemene inleiding

    Lees verder ›
  • ABO-bloedgroepen en -antistoffen

    Bepalen van de ABO (A, B, O)-bloedgroep (schrijfwijze letter ‘O’ maar in spreektaal aangegeven als ‘nul’) en antistoffen tegen deze bloedgroepen.

    Lees verder ›
  • Acanthamoeba species

    Vrij levende amoeben, protozoën.

    Lees verder ›
  • Actinomyces species

    Actinomyceten zijn filamenteuze, grampositieve, anaerobe bacteriën.

    Lees verder ›
  • Activated partial-thromboplastin time (APTT)

    Onderzoek van de intrinsieke en gemeenschappelijke routes van het stollingssysteem.

    Lees verder ›
  • Adenovirus

    Adenovirussen zijn DNA-virussen, behorend tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Adiponectine

    Het doel is de meting van de concentratie van adiponectine in verband met mogelijke stoornissen bij obesitas, atherosclerose, diabetes mellitus type 2.

    Lees verder ›
  • Adrenocorticotroop hormoon (ACTH) en ACTH-functietests

    Het meten van de reservecapaciteit van de hypofyse, dan wel de bijnier voor ACTH- of cortisolproductie.

    Lees verder ›
  • Aeromonas

    soorten zijn gramnegatieve bacteriën behorend tot een aparte familie van de . De taxonomie binnen deze familie is zeer aan verandering onderhevig. De bovengenoemde soorten worden het meest gevonden in klinische materialen.

    Lees verder ›
  • Alanineaminotransferase (ALAT)

    ■ differentiële diagnostiek van leverziekten

    Lees verder ›
  • Albumine, in serum

    Bepaling van albumine in serum.

    Lees verder ›
  • Albumine, in urine

    Het vaststellen van een gestoorde nierfunctie, waarbij er te veel albumine wordt uitgescheiden in de urine.

    Lees verder ›
  • Alcohol

    Analyse van alcohol (ethanol) in bloed.

    Lees verder ›
  • Aldosteron

    Vaststellen van overproductie van aldosteron bij de differentiële diagnostiek van mineralocorticoïdhypertensie.

    Lees verder ›
  • Alkalische fosfatase (AF)

    De activiteitsbepaling van alkalische fosfatase (AF) wordt gebruikt bij de diagnostiek en de follow-up van leveraandoeningen en botziekten.

    Lees verder ›
  • Allergeenspecifiek IgG

    Diagnostiek bij verdenking allergeenspecifiek IgG-gemedieerde type III-allergie.

    Lees verder ›
  • Amfetamines

    Onderzoek op gebruik van amfetamines.

    Lees verder ›
  • Aminozuren

    Analyse van aminozuren in bloed en/of urine voor het aantonen, follow-up of bevestigen van erfelijke stoornissen in het aminozuurmetabolisme.

    Lees verder ›
  • Ammonium

    Vaststellen of de verwerking van ammonium in het lichaam gestoord is.

    Lees verder ›
  • Amylase, totaal

    Vaststellen van de hoogte van de activiteit van het totaal amylase (zowel pancreas- als speekselamylase) in plasma, serum en urine.

    Lees verder ›
  • Anaerobe bacteriën, niet sporulerend

    Anaerobe bacteriën zijn bacteriën die uitsluitend groeien in afwezigheid van zuurstof; de mate van gevoeligheid voor zuurstof is sterk variabel. Onder de anaerobe bacteriën treft men zowel grampositieve als gramnegatieve soorten aan. Een bijzondere groep zijn de sporenvormende anaerobe bacteriën behorend tot species; deze worden apart besproken

    Lees verder ›
  • Androsteendion, δ-4- (A’dion)

    Onderzoek naar androgeenovermaat bij vrouwen met hirsutisme en/of virilisatie.

    Lees verder ›
  • Angiotensine-I-converterend enzym (ACE)

    Vaststellen van de activiteit van angiotensine-I-converterend enzym (ACE) bij (neuro)sarcoïdose en andere granulomatosen.

    Lees verder ›
  • Antidiuretisch hormoon in bloed (ADH)

    Bepaling van het antidiuretisch hormoon (ADH) of vasopressine in bloed.

    Lees verder ›
  • Antiglobulinetests en kruisproef

    De directe antiglobulinetest (DAT) is gericht op het aantonen van antistoffen en/of complementfactoren die in vivo zijn gebonden aan de erytrocyten van de patiënt. De indirecte antiglobulinetest (IAT) is gericht op het aantonen van antistoffen gericht tegen erytrocyten in het serum of plasma van de patiënt. Vroeger werd de antiglobulinetest ook wel Coombs-test genoemd, naar de onderzoeker Dr. Coombs die deze test bedacht, zo bestaat de directe en indirecte Coombs-test.

    Lees verder ›
  • Antimulleriaans hormoon (AMH)

    Antimulleriaans hormoon wordt door de testikels en de ovaria in wisselende hoeveelheden geproduceerd passend bij geslacht en leeftijd.

    Lees verder ›
  • Anti-neutrofiel cytoplasma-antistoffen (ANCA)

    Vaststellen van de aan- of afwezigheid van anti-neutrofiel cytoplasma-antistoffen (ANCA) en van de specificiteit van de ANCA (in het kader van vasculitis: vooral gericht tegen proteïnase-3/PR3 of tegen myeloperoxidase/MPO). Kwantitatieve bepaling van ANCA-spiegels bij diagnostiek en ter evaluatie van therapie en beloop van ziekte bij patiënten met systemische vasculitis.

    Lees verder ›
  • Antinucleaire antistoffen (ANA)

    Vaststellen van de aan- of afwezigheid van antinucleaire antistoffen (ANA), het eventueel kwantificeren van de hoeveelheid ervan en het nader vaststellen van de specificiteit van de ANA. Diagnostiek bij verdenking op gegeneraliseerde auto-immuunziekten.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen acetylcholinereceptoren

    Diagnostiek bij verdenking op myasthenia gravis (MG).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen aquaporine 4 (AQP4) en myeline-oligodendrocyt glycoproteïne (MOG)

    Diagnostiek bij verdenking neuromyelitis optica (spectrumziekte), middels het vaststellen van de aan- of afwezigheid van antistoffen tegen aquaporine-4 (AQP4) en myeline-oligodendrocyt glycoproteïne (MOG).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen bijnierschors

    Diagnostiek bij verdenking op auto-immuunadrenalitis (ziekte van Addison, bijnierschorsdeficiëntie).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen cardiolipine (aCLA) en β2-glycoproteïne 1 (β2-GP1)

    Diagnostiek bij verdenking op antifosfolipidensyndroom (APS).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen cyclische, gecitrullineerde peptiden (CCP)

    Diagnostiek bij verdenking op reumatoïde artritis (RA).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen eilandjes van Langerhans

    Differentiële diagnostiek van diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen endomysium (EMA)

    Diagnostiek bij verdenking op actieve coeliakie; ter bevestiging van de uitslag van de tissue-transglutaminaseantistoffen (tTGA).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen fosfolipase A2-receptor

    Diagnostiek bij verdenking op idiopathische membraneuze nefropathie (IMN).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen gangliosiden

    Diagnostiek bij verdenking op immuungemedieerde polyneuropathie.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen gedeamideerd en natief gliadine (DGPA en AGA)

    Diagnostiek bij verdenking op coeliakie.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen glad spierweefsel

    Diagnostiek bij verdenking op auto-immuunhepatitis (AIH).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen glomerulaire basaalmembraan

    Diagnostiek bij verdenking op anti-GBM-ziekte.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen glutaminezuurdecarboxylase (GAD)

    Differentiële diagnostiek van diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen huid

    Diagnostiek bij verdenking op auto-immune blaarvormende aandoeningen, zoals pemphigus en pemfigoïd (verouderde naam: parapemphigus).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen insulinoma antigen-2 (IA-2)

    Differentiële diagnostiek van diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen intrinsic factor

    Diagnostiek bij verdenking op pernicieuze anemie.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen LKM

    Diagnostiek bij verdenking op auto-immuunhepatitis (AIH).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen mitochondriën

    Diagnostiek bij verdenking op primaire biliaire cholangitis, voorheen cirrose (PBC).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen muscle-specific tyrosine kinase (MuSK)

    Diagnostiek bij verdenking op myasthenia gravis (MG), bij afwezigheid van antistoffen tegen acetylcholinereceptoren (AChR).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen myeline-geassocieerd glycoproteïne (MAG)

    Diagnostiek bij verdenking op een gammopathie-geassocieerde polyneuropathie.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen (paraneoplastische) neuronale antigenen

    Diagnostiek bij verdenking op paraneoplastisch neurologisch syndroom en auto-immuunencefalitis.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen pariëtale cellen

    Diagnostiek bij verdenking op auto-immuungastritis en pernicieuze anemie.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen Saccharomyces cerevisiae (ASCA)

    Diagnostiek bij inflammatoir darmlijden (IBD), ter serologische differentiatie tussen de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen schildklier

    Differentiële diagnostiek van auto-immuunhypothyreoïdie en hyperthyreoïdie middels bepalen van antistoffen tegen thyroïdperoxidase (TPO), thyreoglobuline (TG) en de TSH-receptor.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen skeletspierweefsel

    Diagnostiek bij verdenking op myasthenia gravis (MG).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen SLA

    Diagnostiek bij verdenking op auto-immuunhepatitis (AIH).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen tissue-transglutaminase (tTGA)

    Diagnostiek bij verdenking op actieve coeliakie.

    Lees verder ›
  • Antistolling, monitoring van

    Het monitoren van het effect van anticoagulantia op de plasmatische stolling.

    Lees verder ›
  • Antitrombine

    Bepalen van de antitrombineactiviteit in plasma bij de diagnostiek van erfelijke tromboseneiging, leversynthesestoornis, diffuse intravasale stolling en verbruikscoagulopathie.

    Lees verder ›
  • Antitrypsine, α1- (α1AT), in feces

    ■ vaststellen van intestinaal eiwitverlies () in geval van hypoalbuminemie

    Lees verder ›
  • Antitrypsine, α1- (α1AT), in serum

    Vaststellen van α-antitrypsine (αAT)-deficiëntie door concentratiemeting. Aanvullend kan genoomdiagnostiek plaatsvinden.

    Lees verder ›
  • Anti-Xa, factor

    Bepaling van de activiteit van laagmoleculairgewichtheparine (LMWH) of pentasacharide ter controle van antitrombotische behandeling. In specifieke gevallen kan de anti-Xa-bepaling worden gebruikt voor het vaststellen van de therapeutische range van ongefractioneerd heparine op basis van de aPTT. Tevens kan de anti-Xa-methode gebruikt worden voor monitoring van directe Xa-remmers als rivaroxaban, apixaban en edoxaban.

    Lees verder ›
  • Ascaris lumbricoides

    is een rondworm () en wordt gerekend tot de groep van grondnematoden.

    Lees verder ›
  • Aspartaataminotransferase (ASAT)

    ■ differentiële diagnostiek en controle op beloop en behandeling van lever- en spierziekten

    Lees verder ›
  • Aspergillus

    Aantonen van infectie met door middel van microscopie, kweek en/of antistoffen en antigeen.

    Lees verder ›
  • Astrovirus

    Enkelstrengs RNA-virus behorend tot de familie van .

    Lees verder ›
  • Bacillus anthracis

    Sporenvormende grampositieve staaf die een aantal krachtige toxines produceert en een (polyglutamaat)kapsel; beide factoren spelen een belangrijke rol spelen in de pathogenese van antrax (miltvuur) bij mens en dier.

    Lees verder ›
  • Bacillus cereus

    Sporenvormende, aerobe grampositieve staaf die een aantal exotoxines produceert.

    Lees verder ›
  • Bacteriële kweek, algemeen

    Bij een zogenaamde banale kweek wordt gezocht naar snelgroeiende bacteriën en gisten die binnen enkele dagen groeien op algemeen gebruikte voedingsbodems als bloedagar of chocoladeagar.

    Lees verder ›
  • Balantidium coli

    is een (eencellige parasiet) die in de darm leeft en behoort tot de klasse van de .

    Lees verder ›
  • Bartonella henselae

    is een gramnegatieve bacterie die bij katten voorkomt en die incidenteel ziekte veroorzaakt bij de mens. Andere -soorten die ziekte veroorzaken bij de mens zijn , de veroorzaker van loopgravenkoorts, , de verwekker van Oroya-koorts en verruga peruana, koortsende ziekten met huidmanifestaties die voorkomen in het Andesgebied.

    Lees verder ›
  • Benzodiazepines

    Vaststellen van gebruik van benzodiazepines.

    Lees verder ›
  • Bezinking (BSE)

    De bezinking (BSE) is een screeningsonderzoek bij symptomatische patiënten voor het opsporen van die ziekten, die een acutefasereactie bewerkstelligen of die een verhoging van immunoglobulinen geven. Sequentieel bepaald is de bezinking een parameter om het verloop van deze processen te volgen.

    Lees verder ›
  • Bilirubine

    Bepaling van verhoogd bilirubinegehalte.

    Lees verder ›
  • BK-virus en human polyomavirus 2, bekend als JC (John Cunningham)-virus

    BK (de initialen van de eerste patiënt) virus- en JC-virus zijn DNA-virussen. Deze polyomavirussen behoren met de papillomavirussen tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Blastomyces dermatitidis

    Aantonen van blastomycose met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Bloedgassen

    Het in beeld brengen van de gasuitwisseling en de zuur-basestatus van de patiënt middels het bepalen van de bloedgasparameters. Afhankelijk van het type analyser kunnen veelal de volgende bepalingen worden gemeten of berekend, pH, pO, pCO, HCO, BE, O-sat, SaO, FOHb, COHb, MetHb en SulfHb, Na, K, iCa, Cl, , glucose en lactaat.

    Lees verder ›
  • Bloedkweek

    Het doel van een bloedkweek is het aantonen van de aanwezigheid van bacteriën (of gisten) in het bloed.

    Lees verder ›
  • Bloedonderzoek (viraal)

    Bloed is een bijzonder belangrijk materiaal voor virusdiagnostiek. Heel veel virussen kennen tijdens de fase van acute ziekte of in de fase voorafgaand aan acute ziekte een viremische fase. In het bloed kan virusantigeen of viraal RNA of DNA aangetoond worden. Gaat de acute fase over in een chronische infectie, dan kunnen veel virussen ook in deze fase in het bloed worden aangetoond. Dit gebeurt meestal door het viraal RNA of DNA aan te tonen.

    Lees verder ›
  • BNP en NT-proBNP

    Uitsluiten van hartfalen of een cardiale oorzaak van (acute) dyspneu.

    Lees verder ›
  • Bofvirus

    Bofvirus is een RNA-virus en behoort tot het genus rubellavirus (familie ).

    Lees verder ›
  • Bordetella pertussis

    is een strikt aerobe gramnegatieve bacterie met hoge groei-eisen, die alleen op speciale voedingsbodems groeit en daarom bij een banale kweek niet geïsoleerd zal worden. De bacterie vormt verschillende virulentiefactoren waaronder het filamenteuze hemagglutinine (FHA), pili, pertactin, en verschillende toxines waaronder pertussistoxine. De gecombineerde effecten van de verschillende virulentiefactoren zijn onder andere ciliostase, beschadiging van de respiratoire mucosa en een lymfocytose. , een nauw verwante bacterie, is eveneens pathogeen voor de mens, zij het in mindere mate dan .

    Lees verder ›
  • Borrelia burgdorferi

    is een spirocheet die pathogeen is voor de mens. Naast de soort die vooral in de VS voorkomt, komen in Europa vooral de soorten en voor. De bacterie kan gekweekt worden in vitro in een complex medium, maar de groeisnelheid is traag. Het genoom van de bacterie is klein (1,5 megabasen) en in tegenstelling tot dat van de meeste bacteriën lineair; tevens bevat de bacterie nog een groot aantal plasmiden.

    Lees verder ›
  • Botmerkers (o.a. CTx, NTx, DPD, OC, P1NP, BAP)

    Botmerkers worden in het bloed en de urine gemeten om afwijkingen in het botmetabolisme vast te stellen, waarbij een evenwicht tussen aanmaak en afbraak aanwezig hoort te zijn. Botmarkermetingen zijn geschikt als follow-up van osteoporosetherapie.

    Lees verder ›
  • Botten (Trematoda)

    Tezamen met de species behoren alle hier genoemde platwormsoorten tot de (botten).

    Lees verder ›
  • Brucella abortus, Brucella melitensis, Brucella suis

    is een gramnegatieve, facultatief intracellulaire bacterie met bijzondere groei-eisen. In vitro groeit de bacterie langzaam en alleen in aanwezigheid van verhoogde CO-concentratie.

    Lees verder ›
  • Burkholderia cepacia complex, Burkholderia pseudomallei

    is een gramnegatieve bacterie die vroeger in het genus werd ingedeeld.

    Lees verder ›
  • CA 125

    Bepaling van CA 125 in het serum.

    Lees verder ›
  • CA 15.3

    Ondersteunen van de diagnose van aanwezigheid van een adenocarcinoom. Follow-up na primaire behandeling van een adenocarcinoom, met name van de mamma, om tijdig een recidief of metastasering vast te stellen en behandeling te starten.

    Lees verder ›
  • CA 19.9

    Follow-up van gastro-intestinale tumoren.

    Lees verder ›
  • Calcitonine in bloed (CT)

    Bepaling van calcitonine (CT), veelal in combinatie met een stimuleringstest.

    Lees verder ›
  • Calcium

    Vaststellen of uitsluiten van een ontregeling van de calciumhomeostase. Vervolgen van de behandeling van hyper- of hypocalciëmie.

    Lees verder ›
  • Calprotectine

    Onderscheid maken tussen inflammatoire darmaandoening (IBD) en prikkelbaredarmsyndroom (IBS) en follow-up van IBD.

    Lees verder ›
  • Calreticuline (CALR)-mutatie

    Het testen op de aanwezigheid van de -mutatie (calreticuline) wordt gebruikt bij het diagnosticeren van de myeloproliferatieve aandoeningen (MPN’s) essentiële trombocytose (ET) en primaire myelofibrose (PMF). Bij patiënten met essentiële trombocytose of primaire myelofibrose die geen - of -mutatie hebben, blijkt in circa 60-80% van de gevallen een -mutatie aantoonbaar. Door aantoning van een -mutatie wordt de aanwezigheid van klonale ziekte vastgesteld en incorporatie van deze mutatieanalyse in de diagnostiek verhoogt de mogelijkheid tot specifieke mutatiedetectie bij MPN tot > 90%. In het algemeen worden -mutaties bij jongere patiënten gevonden en gaan ze gepaard met significant hogere trombocytenaantallen dan -positieve ET-patiënten met een beduidend lager tromboserisco.

    Lees verder ›
  • Campylobacter

    zijn kommavormige, micro-aerofiele gramnegatieve bacteriën. De bacteriën zijn sterk beweeglijk en kunnen een filter met een poriegrootte van 0,45 μm passeren, een eigenschap waarvan gebruikgemaakt wordt bij de isolatie uit sterk verontreinigde materialen als feces. Oorspronkelijk waren vrijwel alle isolaten van gevoelig voor macroliden en fluorochinolonen; de resistentie tegen de laatste groep antibiotica is sterk toegenomen door het ruime gebruik van deze middelen in de veterinaire sector.

    Lees verder ›
  • Candida species

    Aantonen van -soorten met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Cannabinoïden

    Onderzoek op gebruik van cannabis.

    Lees verder ›
  • Carcino-embryonaal antigeen in bloed (CEA)

    Bepaling van carcino-embryonaal antigeen (CEA) in bloed prognostisch en in de follow-up van colorectale kanker.

    Lees verder ›
  • Carnitine

    Meting van de concentraties van vrij L-carnitine en acylcarnitine species in plasma vindt plaats wanneer gedacht wordt aan een defect in de mitochondriële β-oxidatie van vetzuren (vetzuuroxidatiedefect, VZOD) of aan een organo-acidurie.

    Lees verder ›
  • Catecholaminen en metabolieten

    Bepaling van catecholaminen of de basische en zure metabolieten voor de diagnostiek van catecholamine-producerende tumoren.

    Lees verder ›
  • CDT (koolhydraatdeficiënt transferrine)

    Bepaling van CDT in serum bij de vraagstelling chronische overmatige alcoholinname (alcoholmisbruik).

    Lees verder ›
  • Cellen, in liquor

    Het bepalen van de concentratie van leukocyten en erytrocyten in liquor en het differentiëren van de leukocyten.

    Lees verder ›
  • Ceruloplasmine

    Uitsluiten of bevestigen van een ceruloplasminetekort, deels in aanvulling op de bepaling van koper.

    Lees verder ›
  • CFTR-genotypering (cystische fibrose)

    Cystische fibrose (CF) is een autosomaal recessief overervende aandoening die veel voorkomt bij Kaukasiërs. Andere benamingen voor CF zijn pancreasfibrose, mucoviscidose of taaislijmziekte. In 1989 is het CFTR-gen geïdentificeerd. Het betreft een relatief groot gen met 27 exonen en een lengte van 250 kb; de exonen coderen voor een eiwit van 1480 aminozuren. Er zijn zeer veel verschillende CF-mutaties die de ziekte kunnen veroorzaken (> 1900), op voorwaarde dat ze in tweevoud aanwezig zijn. Echter, wereldwijd zijn ongeveer 35 mutaties verantwoordelijk voor bijna alle gevallen van CF. Afhankelijk van de groep waartoe een specifieke mutatie behoort, is de epitheliale terugresorptie van chloride in de zweetafvoerbuis gestoord.

    Lees verder ›
  • Chikungunya-virus

    Chikungunyavirus is een RNA-virus en hoort tot het genus α-virus en tot de familie van de . De naam uit de taal van de Makonde in Zuidoost-Tanzania en betekent ‘dat wat buigt’.

    Lees verder ›
  • Chlamydia pneumoniae

    is een obligaat intracellulaire bacterie. Groei op normale bacteriologische voedingsbodems is niet mogelijk; kweek is alleen mogelijk in celkweken.

    Lees verder ›
  • Chlamydia trachomatis en lymphogranuloma venereum

    is een obligaat intracellulaire bacterie. Groei op normale bacteriologische voedingsbodems is niet mogelijk; kweek is alleen mogelijk in celkweken. Voor diagnostiek wordt daarom DNA-detectie gebruikt. Van deze bacterie is een aantal verschillende serovars beschreven die onderling verschillen in hun pathogeen vermogen: serovar A tot en met C veroorzaken ooginfecties (trachoom), serovar D tot en met K zijn verantwoordelijk voor urogenitale infecties terwijl serovar L geassocieerd is met lymphogranuloma venereum.

    Lees verder ›
  • Chlamydophila psittaci

    , vroeger genaamd is, evenals de andere , een obligaat intracellulaire bacterie. is ondergebracht in het genus samen met (pathogeen voor de mens), en . Groei op normale bacteriologische voedingsbodems is niet mogelijk; kweek is alleen mogelijk in celkweken.

    Lees verder ›
  • Chloride

    De toepassing van de chloride (Cl) bepaling ligt in de detectie en follow-up van hyper- en hypochloremie en in het bepalen van de in het geval van een metabole acidose.

    Lees verder ›
  • Cholesterol

    Bepalen van cholesterol in serum/heparineplasma.

    Lees verder ›
  • Cholinesterase en pseudocholinesterase

    Er zijn verschillende enzymen die cholinesterase worden genoemd: acetylcholine-esterase en pseudocholinesterase. Acetylcholine-esterase is het enzym dat de afbraak van acetylcholine in de synapsspleet verzorgt.

    Lees verder ›
  • Chromogranine A (CgA)

    Follow-up bij neuro-endocriene tumoren.

    Lees verder ›
  • Cladosporium carionii, Fonsecaea pedrosoi, Fonsecaea compacta, Phialophora verrucosa, Exophiala jeanselmei

    Aantonen van verwekkers van onderhuidse mycosen met microscopie en kweek.

    Lees verder ›
  • Clostridium difficile Clostridium difficile-toxinebepaling

    Het aantonen van een actieve infectie met .

    Lees verder ›
  • Cocaïne

    Onderzoek op gebruik van cocaïne.

    Lees verder ›
  • Coccidioides species

    Aantonen van (Californië) en/of (overige gebieden) met kweek, microscopie en serologie.

    Lees verder ›
  • Colloïd-osmotische druk (COD)

    Vaststellen van een verhoogde kans op (long)oedeem.

    Lees verder ›
  • Complementactiviteit

    Het meten van de complementactiviteit om de betrokkenheid van het complementsysteem bij ziekte vast te stellen.

    Lees verder ›
  • Complementfactor C1-esteraseremmer

    Opsporen en vaststellen van een C1-esteraseremmerdeficiëntie.

    Lees verder ›
  • Complementfactor C1q

    Bepaling van de concentratie van C1q in serum.

    Lees verder ›
  • Complementfactor C3

    Bepaling van de concentratie van C3 in serum.

    Lees verder ›
  • Complementfactor C3d

    Het meten van de concentratie van C3d.

    Lees verder ›
  • Complementfactor C4

    Bepaling van de concentratie van C4 in serum.

    Lees verder ›
  • Coronavirus

    Coronavirussen zijn RNA-virussen behorend tot de familie van de . Voor de mens is een aantal typen pathogeen: 229, NL63, OC43 en SARS ()-coronavirus.

    Lees verder ›
  • Cortisol

    Bevestiging van verdenking op over- dan wel onderproductie van cortisol.

    Lees verder ›
  • Corynebacterium diphtheriae

    is een aerobe, grampositieve staaf. Alleen stammen die met een bepaalde bacteriofaag zijn geïnfecteerd, produceren toxine en zijn pathogeen voor de mens. Binnen de soort wordt een drietal typen onderscheiden: en .

    Lees verder ›
  • Cotinine

    Het meten van cotinine in bloed of urine wordt toegepast om het nicotinegebruik van een persoon na te gaan.

    Lees verder ›
  • Coxiella burnetii

    is een obligaat intracellulaire, gramnegatieve bacterie, verwant aan de en de . De bacterie kan gedurende lange tijd (maanden) persisteren in besmette materialen.

    Lees verder ›
  • C-peptide

    Evaluatie van de pancreasrestfunctie ten aanzien van insulineproductie en eventuele bevestiging van overmaat aan exogeen insuline als oorzaak voor hypoglykemie.

    Lees verder ›
  • C-reactieve proteïne (CRP)

    Bepaling van C-reactieve proteïne (CRP) ter opsporing van infectie en vervolg van therapie.

    Lees verder ›
  • Creatinekinase (CK)

    Vaststellen/uitsluiten van spierschade of verhoogde spierafbraak.

    Lees verder ›
  • Creatinekinase-iso-enzymen (CK-i)

    Bepaling van het iso-enzym CK-MB is lange tijd gebruikt voor de diagnostiek van het hartinfarct (inmiddels vervangen door troponine I of troponine T). Analyse van de CK-iso-enzymen kan worden gebruikt voor de diagnostiek van (onbegrepen) verhoogde creatinekinase (CK)-activiteiten in bloed. Echter, hiervoor kunnen ook andere parameters worden gebruikt: myoglobine (spierafbraak), troponine I/T (hartschade) en S100 (hersenschade). Met de introductie van de genoemde parameters is de bepaling van CK-iso-enzymen niet of nauwelijks meer geïndiceerd.

    Lees verder ›
  • Creatinine

    Diagnose, classificatie of vervolgen van renale insufficiëntie. Daarnaast kan creatinine in urine ook gebruikt worden ter controle van de vierentwintiguursverzameling en om de concentratie van andere stoffen (eiwitten, medicatie) te corrigeren voor de verschillen in urineconcentratie (urineportie). Om de glomerulaire filtratiesnelheid (GFR) te kunnen schatten zonder gecompliceerd onderzoek, maakt men tegenwoordig, zoals de KDIGO voorschrijft, gebruik van de CKD-EPI-formule. De klaring bij kinderen (< 18 jaar) kan worden geschat met de Schwartz-formule.

    Lees verder ›
  • Cryoglobulinen

    Diagnostiek bij verdenking op cryoglobulinemie.

    Lees verder ›
  • Cryptococcus

    Aantonen van cryptokokken met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Cryptosporidium

    is een eencellige darmparasiet () behorende tot de coccidiën. Enkele jaren geleden is, op basis van epidemiologische en genetische gegevens, de voor de mens meest relevante soort , geclassificeerd als zijnde twee afzonderlijke species, te weten , met een zoönotische verspreiding, en , die uitsluitend bij de mens wordt gezien.

    Lees verder ›
  • Cyclospora cayetanensis

    is een eencellige darmparasiet () behorende tot de coccidiën. Besmetting gebeurt veelal via slecht gewassen fruit en groente, maar kan ook via water overgedragen worden. Overdracht van mens op mens is niet mogelijk: het parasietstadium dat voor besmetting zorgt, moet minimaal twee weken in het milieu uitgerijpt zijn.

    Lees verder ›
  • Cyfra 21.1

    Diagnostiek en follow-up van niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC)

    Lees verder ›
  • Cytochemisch onderzoek van beenmerg

    Inzicht verwerven in de status van de hematopoëse in het beenmerg aan de hand van de cytologische karakteristieken en de verhoudingen tussen de diverse celtypen.

    Lees verder ›
  • Cytochroom P450 (CYP)

    Cytochroom P450 (ook wel afgekort als CYP, P450 of CYP450) is een verzameling enzymen die organische stoffen oxideren en afbreken waaronder potentiële schadelijk stoffen of lichaamsvreemde stoffen zoals medicijnen en toxinen. Cytochroom P450 komt praktisch in alle levende cellen voor.

    Lees verder ›
  • Cytomegalovirus (CMV)

    Cytomegalovirus is een humaan DNA-virus. Het is een β-herpesvirus en hoort tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Darmhormonen

    Bepaling van de darmhormonen om hun invloed op het metabolisme en de regulering ervan na te gaan.

    Lees verder ›
  • D-dimeer

    Het aantonen van trombusvorming en/of afbraak van fibrine door plasmine.

    Lees verder ›
  • Dehydro-epiandrosteron(sulfaat) (DHEA-S)

    Meting van dehydro-epiandrosteronsulfaat (DHEA-S).

    Lees verder ›
  • Denguevirus

    Denguevirus is een RNA-virus en behoort tot de familie van de . Er bestaan vier verschillende typen.

    Lees verder ›
  • Dermatofyten

    Aantonen van schimmelinfectie van huid, haar en nagel.

    Lees verder ›
  • Dexamethasonremmingstest

    Dexamethasonremmingstests worden gebruikt in de (differentiële) diagnostiek naar het syndroom van Cushing.

    Lees verder ›
  • Dientamoeba

    is een eencellige darmparasiet () behorende tot de flagellaten.

    Lees verder ›
  • Differentiële telling van bloedcellen

    Het bepalen van de concentraties van de erytrocyten, trombocyten en de verschillende typen leukocyten in bloed en het kwalitatief beoordelen van bloedcellen in een uitstrijkpreparaat.

    Lees verder ›
  • Dihydropyrimidine-dehydrogenase (DPD, DPYP)

    Voorspellen van de snelheid van metabolisering van fluorouracil (5-FU), capecetabine en tegafur.

    Lees verder ›
  • DOAC, direct werkende orale anticoagulantia

    In het laatste decennium zijn er meerdere nieuwe orale anticoagulantia in Nederland op de markt gekomen. Deze nieuwe middelen zijn conform de Leidraad begeleide introductie nieuwe orale antistollingsmiddelen (geschreven door de de wetenschappelijke verenigingen (NVVC, NIV, NVN, NOV, VAL/NVKC, NVZA/KNMP) en de Orde Medisch Specialisten) geïntroduceerd. Deze orale middelen betreffen enerzijds de directe trombine-inhibitor dabigatran en anderzijds meerdere directe Xa-inibitors, zoals apixaban, edoxaban en rivaroxaban. Vanwege hun voorspelbare antistollende effect is geen routinematige controle door middel van laboratoriumtests nodig. Deze nieuwe middelen zullen in belangrijke mate de vitamine K-antagonisten gaan vervangen.

    Lees verder ›
  • Dracunculus medinensis

    is een aan de filariën verwante rondworm (). Infectie vindt plaats door het oraal binnenkrijgen van geïnfecteerde watervlooien die de infectieuze larven bij zich dragen. Uit de larven ontwikkelen zich de volwassen wormen, waarbij de vrouwelijke worm 70-120 cm lang kan worden. Deze bevindt zich in het subcutane weefsel, veelal van het been. Ongeveer een jaar na infectie ontstaat bij het caudale einde van de vrouwelijke worm een pijnlijke blaar op de huid. Vanuit het ulcus dat hieruit voortkomt worden de microfilaria uitgescheiden. Deze dienen weer in water met de specifieke watervlooien terecht te komen om de infectiecyclus rond te maken.

    Lees verder ›
  • Ebolavirus, marburgvirus, lassavirus

    Ebolavirus, marburgvirus en lassavirus zijn RNA-virussen. Ebolavirus en marburgvirus behoren tot een apart genus binnen de familie van de , lassavirus is een arenavirus.

    Lees verder ›
  • Echinococcus species

    is een platworm () behorende tot de groep van lintwormen (). Echinokokkose is een zoönose. De meeste humane infecties worden veroorzaakt door waarbij de hond de voornaamste eindgastheer is en het schaap de belangrijkste tussengastheer. De andere voor de mens belangrijke soort is , waarbij de vos de voornaamste eindgastheer is.

    Lees verder ›
  • Eiwit, monoklonale (M-)proteïnen in serum

    Bepaling van de eventuele aanwezigheid van M-proteïnen in serum.

    Lees verder ›
  • Eiwit, monoklonale (M-)proteïnen in urine

    Vaststellen of monitoren van monoklonale lichteketenproteïnurie (Bence-Jones-eiwitten).

    Lees verder ›
  • Eiwit (totaal) in serum, plasma en urine en eiwitspectrum

    Bepaling van totaaleiwit in serum/plasma.

    Lees verder ›
  • Entamoeba

    Amoeben zijn eencellige parasieten () die normaal gesproken in de darm leven. Amoebiasis wordt veroorzaakt door . Daarnaast bestaan er nog verscheidene niet-pathogene amoebensoorten, zowel behorende tot het geslacht (o.a. ) als de soorten en . De (kleine vegetatieve) amoeben leven in de dikke darm. Zij voeden zich daar onder andere met bacteriën en vermenigvuldigen zich door deling. Een gedeelte van de amoeben rondt zich af en vormen een stevige wand. Deze cysten worden met de ontlasting uitgescheiden en zijn direct infectieus. Bij kunnen de vegetatieve amoeben zich ook ontwikkelen tot grote invasieve amoeben. Deze voeden zich met bloed en weefsel en beschadigen de mucosa en submucosa van de dikke darm waarbij kleine bloedende laesies ontstaan. Hierdoor komt er bloed bij de ontlasting (dysenterie). Het is ook mogelijk dat de grote invasieve amoeben door de darmwand de bloedcirculatie bereiken en in organen, veelal de lever, terechtkomen. Hier kunnen ze een karakteristiek abces vormen. De meeste gevallen van een amoebenabces zullen binnen de eerste 3-6 maanden na terugkomst uit een endemisch (sub)tropengebied gevonden worden. Maar men dient er op bedacht te blijven bij iedereen die ooit in een dergelijk gebied geweest is.

    Lees verder ›
  • Enterobius vermicularis

    (oude naam: ) behoort tot de groep van de rondwormen ().

    Lees verder ›
  • Enterovirus, parechovirus

    Onder enterovirussen gaat een flinke heterogene groep virussen schuil. Het zijn allemaal RNA-virussen en ze heten ECHO-virussen, coxsackie A- en B-virussen, poliovirussen en humaan enterovirussen 68-71. Ze behoren tot de familie van de . Parechovirussen zijn verwant aan de enterovirussen. Parechovirus type 1 en 2 heetten voorheen ECHO-virus 22 respectievelijk 23. Inmiddels zijn er zes parechovirustypen beschreven.

    Lees verder ›
  • Eosinofiele granulocyten

    Het bepalen van de concentratie van eosinofiele granulocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Epstein-Barr-virus

    Epstein-Barr-virus is het humaan herpesvirus type 4 (HHV-4), een DNA-virus, en hoort tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Erysipelothrix rhusiopathiae

    is een dunne grampositieve staafvormige bacterie.

    Lees verder ›
  • Erytrocyten

    Het bepalen van de concentratie van erytrocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Erytropoëtine

    Bepalen van de hoeveelheid circulerend erytropoëtine (EPO) in bloed.

    Lees verder ›
  • Escherichia coli

    is een gramnegatieve bacterie uit de familie van de . Er bestaat een grote variatie binnen deze soort en de pathogeniciteit wordt bepaald door de aanwezigheid van specifieke virulentiefactoren als aanhechtingsfactoren en productie van diverse toxines. is ook in staat om verschillende antibioticaresistentiegenen uit te wisselen met andere door middel van plasmiden (kleine, circulaire stukken DNA).

    Lees verder ›
  • Factor-II-mutatie (G20210A)

    Onderzoek naar familiaire trombofilie.

    Lees verder ›
  • Factor-V-Leidenmutatie (A506G)

    Onderzoek naar familiaire trombofilie.

    Lees verder ›
  • Farmacogenetica

    Niet alle patiënten reageren hetzelfde op het gebruik van een geneesmiddel. Dat kan inhouden dat de ene patiënt veel bijwerkingen ervaart, terwijl een andere patiënt geen baat heeft bij bepaalde medicatie. Voor sommige geneesmiddelen wordt daarom de bloedspiegel bepaald, waarop de dosis kan worden aangepast om deze tot een therapeutisch niveau te brengen. Een deel van de variatie in de effectiviteit en bijwerkingen van een geneesmiddel kan verklaard worden door verschillen in afbraaksnelheid (metabole activiteit) tussen patiënten van geneesmiddelen door de lever. Deze verschillen worden deels veroorzaakt door variaties in de genetische achtergrond van mensen, oftewel het DNA.

    Lees verder ›
  • Fecesonderzoek (bacterieel)

    Een feceskweek is gericht op het aantonen van bacteriële verwekkers van gastro-enteritis in de feces van de (symptomatische) patiënt. Het aandeel pathogene bacteriën in de totale fecale flora is meestal groot in de acute fase van de ziekte, maar neemt daarna weer snel af. Vanwege de gelijktijdige aanwezigheid van apathogene bacteriën in de feces is voor het aantonen van de pathogene bacteriën gebruik van selectieve media, al dan niet in combinatie met ophopingsmethoden, vereist.

    Lees verder ›
  • Fecesonderzoek (parasitair)

    Aantonen van (darm)infecties met en wormen.

    Lees verder ›
  • Fecesonderzoek (viraal)

    Feces is zeer geschikt materiaal voor virusdiagnostiek middels PCR. Vooral voor onderzoek naar virussen die een gastro-enteritisbeeld kunnen veroorzaken is feces het materiaal, maar niet uitsluitend voor deze virussen.

    Lees verder ›
  • Fibrinogeen

    Vaststellen van verlaagd of verhoogd fibrinogeengehalte.

    Lees verder ›
  • Filaria

    Filariën zijn rondwormen () die een bloed- of weefselinfectie veroorzaken en via vliegen of muggen worden overgebracht. Van de honderden -soorten die bekend zijn, zijn er acht die een natuurlijke infectie bij de mens kunnen veroorzaken. Andere -soorten, zoals , komen gewoonlijk voor bij zoogdieren (zoals honden), maar kunnen incidenteel bij de mens tot een (incomplete) infectie leiden.

    Lees verder ›
  • Fluor vaginalis ICPC-2: X14; ICD-10: N89.8

    De normale vaginale flora van vrouwen in de reproductieve leeftijd bestaat uit een complex mengsel van bacteriën. Lactobacillen vormen een belangrijk bestanddeel van deze flora; daarnaast worden bij asymptomatische vrouwen ook relatief vaak coagulasenegatieve stafylokokken en vergroenende streptokokken gevonden. Ook (groep-B-streptokok) en gisten in geringe aantallen kunnen deel uitmaken van de normale vaginale flora en gisten worden eveneens bij een aanzienlijk percentage vrouwen zonder klachten gevonden. In de prepuberale flora ontbreken meestal de lactobacillen.

    Lees verder ›
  • Foetoproteïne, α- (AFP), als tumormarker

    Diagnose en follow-up van primair levercelcarcinoom en non-seminomateuze kiemceltumoren.

    Lees verder ›
  • Foliumzuur

    Het bevestigen van een foliumzuurtekort als oorzaak van hematologische aandoeningen of het vaststellen van foliumzuurtekort als risicofactor, onder andere bij de vroege ontwikkeling van het ongeboren kind door het meten van de concentratie van foliumzuur in het bloed. Deze is echter niet volledig representatief voor de werking van foliumzuur in de weefsels. In een grijs gebied tussen ruime aanwezigheid en ernstig tekort geeft de concentratie in het bloed geen eenduidig antwoord op de vraag of er in de weefsels zelf een tekort bestaat. De concentratie homocysteïne in het bloed kan daarover beter uitsluitsel geven (zie Homocysteïnetest).

    Lees verder ›
  • Follikelstimulerend hormoon (FSH) en luteïniserend hormoon (LH)

    Bepaling van follikelstimulerend hormoon (FSH) en luteïniserend hormoon (LH), basaal dan wel na stimulering met LHRH, dient ter evaluatie van het functioneren van de hypothalamus-hypofyse-gonadenas en functie van de gonaden.

    Lees verder ›
  • Fosfaat

    Bepalen van hyper/hypofosfatemie en van hyper/hypofosfaturie.

    Lees verder ›
  • Francisella tularensis

    is een kleine, aerobe, traag groeiende pleiomorfe gramnegatieve bacterie. Binnen de soort zijn vier subspecies beschreven, waarvan subspecies (type A) en de minder virulente subspecies (type B) het meest worden geïdentificeerd bij de mens. De bacteriën groeien erg langzaam en de groei wordt pas na enkele dagen zichtbaar. wordt beschouwd als en potentieel bioterroristisch agens.

    Lees verder ›
  • Fructose

    Bepaling van fructose in serum, plasma of urine.

    Lees verder ›
  • Functietests (inleiding)

    Hormonen zijn signaalmoleculen die informatie doorgeven van de ene naar de andere cel of orgaan. Zo kunnen hormonen via transport in de bloedbaan cellen in verder weg gelegen weefsels activeren, maar activatie kan ook lokaal in hetzelfde orgaan (paracrien) of zelfs in de secreterende cel zelf (autocrien) plaatsvinden. De hypofyse is de centrale klier die meerdere andere hormoonproducerende klieren aanstuurt, daarbij geholpen door de hypothalamus die de concentratie van belangrijke hormonen controleert. Er bestaan verschillende typen hormonen: monoamines (bijvoorbeeld catecholaminen, serotonine), kleine peptidehormonen (bijvoorbeeld TRH, vasopressine), grotere glycoproteïnehormonen (bijvoorbeeld TSH, LH), steroïdhormonen afgeleid van cholesterol (bijvoorbeeld testosteron) en vetzuurderivaten (bijvoorbeeld prostaglandines).

    Lees verder ›
  • Galactosetolerantietest

    Deze test is vervangen door het onderzoek dat plaatsvindt uit het bloed van de hielprik bij pasgeborenen naar galactosemie.

    Lees verder ›
  • Galzuren in feces

    Bepaling van galzuren in feces.

    Lees verder ›
  • Galzuren in plasma/serum

    Bepaling van galzuren in plasma/serum als gevoelige merker voor zwangerschapscholestase, leveraandoeningen en stoornissen in het galzuurmetabolisme.

    Lees verder ›
  • Gastrine

    Meting van verhoogde of verlaagde gastrineproductie.

    Lees verder ›
  • Gewrichtsvloeistofonderzoek

    Onderzoek van gewrichtsvloeistof bij gezwollen en/of ontstoken gewrichten.

    Lees verder ›
  • Ghreline

    Bepaling van ghreline om de invloed op het metabolisme en de regulering ervan na te gaan.

    Lees verder ›
  • Giardia lamblia

    Giardiasis wordt veroorzaakt door de eencellige darmparasiet () , die ook wel of wordt genoemd.

    Lees verder ›
  • Glucose-6-fosfaatdehydrogenase in erytrocyten (G6PD)

    Het meten van de activiteit van glucose-6-fosfaatdehydrogenase in erytrocyten.

    Lees verder ›
  • Glucosetolerantietest (GTT)

    De glucosetolerantietest (GTT) wordt voornamelijk gebruikt voor onderzoek naar gestoorde glucosetolerantie en zwangerschapsdiabetes in het geval dat losse glucosebepalingen geen uitkomst bieden.

    Lees verder ›
  • Glutamaatdehydrogenase (GDH)

    Aantonen van hyperactiviteit van het glutamaatdehydrogenase (GDH) ten behoeve van het stellen van de diagnose HIHA (hyperinsulinisme-hyperammoniëmie)-syndroom, beschreven door Stanley et al. (1998).

    Lees verder ›
  • Glutamyltransferase, γ- (γGT)

    Bepaling van de activiteit van γ-glutamyltransferase (γGT) bij verdenking op lever- en galwegaandoeningen en verdenking op alcoholabusus.

    Lees verder ›
  • Glutathionreductase in erytrocyten (GR)

    Het meten van de activiteit van glutathionreductase in erytrocyten, meestal als referentie voor de interpretatie van andere erytrocytaire enzymen.

    Lees verder ›
  • Grampreparaat

    De gramkleuring is de meest gebruikte kleurmethode voor microbiologisch onderzoek en wordt zowel gebruikt voor kleuring van klinische materialen (urine, sputum, liquor, punctaten, enz.) alsook als eerste stap bij het onderzoek van gekweekte micro-organismen.

    Lees verder ›
  • Groeihormoon (+ stimulatie- en remmingstests) (GH)

    Bepaling van groeihormoon en het opsporen van de oorzaken van te lage en te hoge waarden.

    Lees verder ›
  • HACEK-groep bacteriën

    De HACEK-groep bacteriën is een verzameling bacteriesoorten uit de mond-keelholte met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze endocarditis kunnen veroorzaken. Deze groep van organismen is gezamenlijk verantwoordelijk voor 3-5% van alle gevallen van bacteriële endocarditis. Het zijn kleine gramnegatieve bacteriën die voor hun groei afhankelijk zijn van een verhoogde CO-concentratie. De soorten groeien langzaam op de standaardvoedingsbodems als bloed- of chocoladeagar (48-72 uur).

    Lees verder ›
  • Haemophilus ducreyi

    is een gramnegatieve bacterie; kenmerkend voor de bacteriën uit het genus is dat ze voor hun groei ten minste een van de volgende groeifactoren nodig hebben: X-factor (haemverbindingen) of V-factor (NAD). Ze worden daarom alleen gevonden bij gebruik van specifieke kweekmedia. Bij de mens komen negen -soorten voor. is een daarvan en verwekker van de seksueel overdraagbare aandoening ulcus molle.

    Lees verder ›
  • Haemophilus influenzae

    is een gramnegatieve bacterie; kenmerkend voor de bacteriën uit het genus s is dat ze voor hun groei ten minste een van de volgende groeifactoren nodig hebben: X-factor (haemverbindingen) en V-factor (NAD). Bij de mens komen negen -soorten voor. is de meest geïsoleerde soort uit klinische materialen. Sommige -stammen bezitten een polysacharidekapsel; stammen met kapseltype B vertonen een verhoogde virulentie voor de mens.

    Lees verder ›
  • Hantavirus

    Hantavirus en puumulavirus zijn RNA-virussen en horen tot het genus hantavirus, familie van de .

    Lees verder ›
  • Haptoglobine

    Bepalen van haptoglobineconcentratie in serum of plasma bij verdenking op intravasale hemolyse.

    Lees verder ›
  • HbA1c

    Bepaling van HbA1c/glycohemoglobine.

    Lees verder ›
  • HE4 (humaan epididymis proteïne 4)

    Bepalen van humaan epididymis proteïne 4 (HE4) in serum.

    Lees verder ›
  • Helicobacter pylori

    is een gekromd gramnegatief staafje, dat alleen groeit onder micro-aerofiele omstandigheden (lage zuurstofspanning). Een kenmerkende eigenschap is de sterke ureaseproductie door de bacterie. Vanwege de morfologische gelijkenis met werd de bacterie die in 1982 voor het eerst gekweekt werd uit biopten van de maag en het duodenum eerst genoemd. Bij dieren worden andere -soorten gekweekt uit de maag en duodenum. Bij de mens komen andere soorten voor in de darm die zijn geassocieerd met diarree: en .

    Lees verder ›
  • Hematocriet (Ht)

    Bepalen van de volumefractie van de erytrocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Hemoglobine (Hb)

    De hemoglobineconcentratie van het bloed wordt bepaald bij verdenking op anemie of polycythemie.

    Lees verder ›
  • Hemoglobine A2 (HbA2)

    De HbA-concentratie in het bloed maakt deel uit van het hemoglobinopathie (HbP) onderzoekspakket en wordt voornamelijk bepaald bij verdenking op β-thalassemie, conform de landelijke protocollen van de VHL en bij preventie van vormen van β-thalassaemia major.

    Lees verder ›
  • Hemoglobine, foetaal (HbF)

    Het bepalen van de hoeveelheid foetaal hemoglobine (HbF% in lysaat) bij verdenking op hemoglobinopathieën, hereditaire hemolytische anemie, aplastische anemie conform de landelijke protocollen van de VHL. (Zie .)

    Lees verder ›
  • Hemoglobine, instabiel en hyperinstabiel

    Ter verklaring van microcytaire hypochrome anemie of hemolyse, bij verdenking van mogelijke instabiliteit bij een al of niet zichtbaar abnormaal hemoglobine, als indicatie voor DNA-onderzoek. Maakt deel uit van het hemoglobinopathie (HbP) onderzoekspakket ter voorkoming van ernstige fenotypen in risicoparen.

    Lees verder ›
  • Hemolytische streptokokken groep A (Streptococcus pyogenes)

    Streptokokken zijn grampositieve bacteriën die in ketens groeien ( = ketting/keten). heeft de eigenschap dat het, door de productie van streptolysine, erytrocyten afbreekt, waardoor er op de bloed-agarplaat een transparante hof om de kolonie te zien is. Met behulp van de Lancefield-classificatie kunnen hemolytische streptokokken worden onderverdeeld in groep A, B, C en G op basis van een groepspecifiek polysacharide. Naast het streptolysine, bevat de bacteriesoort een reeks van andere virulentiefactoren, waaronder M-proteïne, dat bescherming biedt tegen fagocytose, DNasen (afbraak van DNA) en pyrogene exotoxines waardoor onder andere koorts, exantheem, fasciitis en septische shock kunnen ontstaan.

    Lees verder ›
  • Hemolytische streptokokken van groep B (Streptococcus agalactiae)(GBS)

    Streptokokken zijn grampositieve bacteriën die in ketens groeien ( = ketting/keten). is een β-hemolytische streptokok, dat wil zeggen dat hemoglobine wordt afgebroken, hetgeen een opheldering geeft van bloedbevattende kweekmedia. Met behulp van de Lancefield-classificatie kunnen β-hemolytische streptokokken worden onderverdeeld in groep A, B, C en G op basis van een groepspecifiek polysacharide. bevat het groep B-polysacharide, de benamingen: groep B-streptokok (of varianten daarop) en worden door elkaar gebruikt.

    Lees verder ›
  • Hepatitis A-virus (HAV)

    Hepatitis A-virus (HAV) is een RNA-virus met fecaal-orale transmissie.

    Lees verder ›
  • Hepatitis B-virus (HBV)

    Hepatitis B-virus (HBV) is een hepadnavirus dat via onbeschermd seksueel en bloed-bloedcontact (perinataal, niet-steriel medisch gereedschap) wordt verspreid.

    Lees verder ›
  • Hepatitis C-virus (HCV)

    Hepatitis C-virus (HCV) is een RNA-virus dat vrijwel obligaat via bloed-bloedcontact wordt verspreid.

    Lees verder ›
  • Hepatitis D-virus (HDV)

    Hepatitis D-virus of δ-agens (HDV) is een RNA-virus dat alleen kan repliceren in de aanwezigheid van hepatitis B-virusinfectie. Afwezigheid van HBV sluit HDV-infectie dus uit. HDV-transmissie geschiedt via onbeschermd seksueel contact en door bloed-bloedcontact.

    Lees verder ›
  • Hepatitis E-virus (HEV)

    Hepatitis E-virus (HEV) is een RNA-virus met fecaal-orale transmissie.

    Lees verder ›
  • Herpessimplexvirus type 1 en 2

    Herpessimplexvirus type 1 en 2, ook wel humaan herpesvirus 1 en 2, zijn DNA-virussen behorend tot de . Het zijn α-herpesvirussen.

    Lees verder ›
  • HFE-genotypering

    Hereditaire hemochromatose (HH) is een autosomaal recessief overervende aandoening, waarbij ijzerstapeling kan optreden in verschillende organen als gevolg van toegenomen intestinale ijzeropname. Er zijn verschillende vormen van HH bekend. Oorzaken van HH zijn bijna altijd gelegen in erfelijke afwijkingen van bepaalde eiwitten waardoor er in de lever te weinig van het peptide hormoon hepcidine wordt aangemaakt en aan de bloedbaan afgegeven. In 1996 werd het eerste HH-veroorzakende gen geïdentificeerd: het HFE-gen. Dit gen ligt op de korte arm van chromosoom 6, bestaande uit 7 exonen en beslaat ongeveer 12 kb aan genomisch DNA. Het product van het HFE-gen is het membraangebonden HFE-eiwit dat analoog is aan de HLA-klasse I-antigenen.

    Lees verder ›
  • ‘High-density lipoprotein’-cholesterol (HDL-c)

    Bepaling van ‘high-density lipoprotein’-cholesterol (HDL-cholesterol) in serum/ heparineplasma.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline A (IgA)

    Het bepalen van de IgA-concentratie in serum of ander lichaamsvocht (bijvoorbeeld speeksel).

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline D (IgD)

    Bepaling van de concentratie IgD in serum.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline E (IgE)/Allergeenspecifiek IgE

    Diagnostiek bij verdenking allergeenspecifiek IgE-gemedieerde type I-allergie.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline G (IgG)

    Het bepalen van de IgG-concentratie in serum of ander lichaamsvocht.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline G-subklassen (IgG)

    Vaststellen van het gehalte van IgG-subklassen.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline M (IgM)

    Het bepalen van de concentratie IgM in serum.

    Lees verder ›
  • Immunologische fecaaloccultbloedtest (iFOBT)

    Bepaling van humaan hemoglobine in feces voor de screening naar colorectale kanker of voorstadia daarvan.

    Lees verder ›
  • Indolen, waaronder serotonine en 5-hydroxy-3-indolazijnzuur (5-HIAA)

    Bepaling van de serotonine en zijn metaboliet 5-hydroxy-3-indolazijnzuur (5-HIAA) in trombocyten (plaatjesrijk plasma) en/of urine voor de diagnostiek naar neuro-endocriene tumoren (NET‘s).

    Lees verder ›
  • Influenzavirus type A en B

    Influenza-A en -B zijn RNA-virussen. De virussen behoren tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • INR (International Normalised Ratio)

    Controle van behandeling met orale anticoagulantia (vitamine K-antagonisten).

    Lees verder ›
  • Insuline

    Bepalen van insuline voor bevestiging van een insulinoom, diagnostiek van onverklaarde hypoglykemieën of de lokalisatie van insulineproducerende tumoren met behulp van selectieve sampling.

    Lees verder ›
  • Insulineachtige groeifactor 1 (IGF-1)

    Het beoordelen van de groeihormoonstatus bij verdenking van zowel groeihormoondeficiëntie als acromegalie en het beoordelen van het effect van groeihormoontherapie.

    Lees verder ›
  • Irregulaire antistoffen

    Het opsporen van irregulaire antistoffen tegen erytrocyten, i.e. antistoffen tegen andere bloedgroepen dan die in het ABO-systeem.

    Lees verder ›
  • Isospora belli

    is een eencellige darmparasiet () behorende tot de coccidiën. Recentelijk is de parasiet ingedeeld bij het geslacht is de enige bij de mens voorkomende soort. De parasiet infecteert de epitheelcellen van de dunne darm.

    Lees verder ›
  • JAK2-V617F-mutatie

    Het testen op de aanwezigheid van de somatische 2-V617F-mutatie wordt gebruikt bij het diagnosticeren van de myeloproliferatieve aandoeningen (MPN’s) polycythaemia vera (PV), essentiële trombocytose (ET) en primaire myelofibrose (PMF). Het (Janus kinase 2)-eiwit speelt een rol bij de proliferatie en differentiatie van myeloïde bloedcellen. De verworven G-naar-T-mutatie op nucleotidepositie 1849, resulterend in een substitutie van valine naar een fenylalanine op aminozuurpositie 617 (V617F) in het 2-eiwit, wordt gevonden bij > 95% van patiënten met PV en bij ongeveer 50% van de patiënten met ET en PMF. De V617F-mutatie resulteert in een constitutieve activatie van het 2-eiwit. Muizenstudies hebben laten zien dat 2-V617F een rol speelt bij de pathogenese van de aandoeningen.

    Lees verder ›
  • Kalium

    Vaststellen van hyper- en hypokaliëmie.

    Lees verder ›
  • Keelkweek

    Het doel van een keelkweek is het aantonen van de aanwezigheid van pathogene bacteriën in een keel en zo nodig te bepalen voor welke antibiotica de gekweekte bacteriën gevoelig zijn. Daarnaast wordt een keelkweek in sommige gevallen verricht om dragerschap met specifieke micro-organismen op te sporen.

    Lees verder ›
  • Klebsiella granulomatis

    is een gramnegatieve, intracellulair groeiende bacterie die tot 1999 bekend was onder de naam . De indeling van in het genus is gebaseerd op basis van de zeer grote genetische overeenkomsten. Een belangrijk verschil is echter dat de meeste -soorten net als de andere gemakkelijk kweekbaar zijn op bacteriologische voedingsbodems, terwijl alleen kweekbaar is in celkweken.

    Lees verder ›
  • Koolmonoxide

    Bepaling van carboxyhemoglobine (COHb) ter bevestiging of uitsluiting van koolmonoxidevergifting.

    Lees verder ›
  • Koper

    Het bepalen van koper in serum of urine bij de diagnostiek en de behandeling van kopertekort of koperstapeling.

    Lees verder ›
  • Lactaat

    Nader onderzoek acidose. Verdenking metabole stoornis.

    Lees verder ›
  • Lactaatdehydrogenase (LD)

    Bepaling van de activiteit van lactaatdehydrogenase (LD) in bloedplasma of serum.

    Lees verder ›
  • Lactose-H2-ademtest

    Aantonen van gestoorde absorptie van koolhydraten, in het bijzonder lactose en fructose.

    Lees verder ›
  • Lactosetolerantietest (LTT)

    Aantonen van lactosemalabsorptie.

    Lees verder ›
  • Legionella pneumophila

    is een langzaam groeiende aerobe, gramnegatieve bacterie met bijzondere groei-eisen. Voor de kweek zijn speciale voedingsbodems vereist met actieve koolstof, cysteïne en andere speciale ingrediënten. Hierdoor heeft het tot 1976 geduurd voordat de bacterie voor het eerst in kweek gebracht werd na een uitbraak van pneumonie bij een bijeenkomst van Amerikaanse veteranen in Philadelphia. Van zijn vijftien serotypen bekend; behalve zijn er nog zo’n veertig andere -soorten bekend.

    Lees verder ›
  • Lipoproteïnen

    Onderzoek naar lipiden en (apo)lipoproteïnen.

    Lees verder ›
  • Liquor cerebrospinalis, chemisch onderzoek en cellen

    Onderzoek van liquor cerebrospinalis bij neurologische vraagstellingen.

    Lees verder ›
  • Liquoronderzoek bij virale meningitis/encefalitis

    Voor de diagnostiek van meningitis of encefalitis is analyse van liquor erg belangrijk. Dit geldt voor virale infecties net zo als voor bacteriële infecties. In het verleden probeerde men virussen uit liquor te kweken, maar vergelijkend onderzoek van de laatste tien tot vijftien jaar heeft duidelijk gemaakt dat de kweek obsoleet is. De gouden standaard voor liquoronderzoek is het aantonen van viraal DNA respectievelijk RNA met moleculaire diagnostiek, zoals PCR. In liquor is de methode vergeleken met kweek zeer sensitief en zeer snel. Een valkuil kan zijn dat het aantonen van een zeer geringe hoeveelheid RNA en/of DNA soms bewijzend is voor een veroorzakende rol van het virus, maar niet altijd. Indien liquor niet kan worden verkregen kan voor enterovirus en parechovirus de uitscheiding in feces als alternatief worden gebruikt. Hierbij moet men rekening houden met asymptomatische shedding van enterovirussen weken tot maanden kunnen aanhouden in de feces na een infectie en dient als indirect bewijs voor een current episode.

    Lees verder ›
  • Listeria monocytogenes

    is een aerobe grampositieve bacterie die binnen een groot temperatuurbereik kan groeien (4 °C tot 37 °C). Het is een intracellulaire pathogeen, waarbij de cellulaire immuniteit van belang is. Er is een zestal verschillende soorten bekend, waarvan alleen pathogeen is voor de mens.

    Lees verder ›
  • Lithium

    Controle van de lithiumspiegel gedurende therapie met lithium.

    Lees verder ›
  • Lood

    Bepaling van lood in bloed en/of urine.

    Lees verder ›
  • ‘Low-density lipoprotein’-cholesterol (LDL-c)

    Bepaling van het ‘low-density lipoprotein’ (LDL)-cholesterol in serum of heparineplasma.

    Lees verder ›
  • Lupus anticoagulans (LAC)

    Diagnostiek bij verdenking op antifosfolipidensyndroom (APS).

    Lees verder ›
  • Lymfocytensubtypering

    Bepalen van relatieve en absolute aantallen van de verschillende lymfocytenpopulaties in perifeer bloed.

    Lees verder ›
  • Lysozym

    Lysozym in serum of urine wordt gebruikt om de toe- of afname van sarcoïdose te volgen.

    Lees verder ›
  • Malassezia furfur

    Aantonen van met kweek en microscopie.

    Lees verder ›
  • Mazelenvirus

    Mazelenvirus is een RNA-virus en hoort tot de groep van de morbillivirussen.

    Lees verder ›
  • MDMA (XTC)

    Onderzoek op gebruik van MDMA (XTC; 3,4-methyleendioxymethamfetamine; ecstasy).

    Lees verder ›
  • Mean corpuscular volume (MCV)

    Het bepalen van de karakteristieken van de erytrocytenpopulatie.

    Lees verder ›
  • Methadonmetaboliet (EDDP)

    Onderzoek op gebruik van methadon.

    Lees verder ›
  • Methemalbumine

    Het bepalen van de concentratie methemalbumine bij verdenking op intravasale hemolyse of bij verdenking op hemorragische pancreatitis.

    Lees verder ›
  • Methemoglobuline

    Het bepalen van methemoglobine en/of sulfhemoglobine bij onbegrepen cyanose of hypoxie.

    Lees verder ›
  • Methylmalonzuur (MMA)

    Het opsporen van erfelijke of verworven stoornissen in het metabolisme van methylmalonzuur; het bevestigen of ontkennen van een vitamine B-deficiëntie op cellulair niveau.

    Lees verder ›
  • Metopirontest, metyrapontest

    Met de metopirontest kan men een inschatting maken van stoornissen in de terugkoppeling van cortisol op het hypothalamus-hypofysesysteem.

    Lees verder ›
  • Microglobuline, β2- (β2M)

    Vaststellen van de concentratie van β-microglobuline (β2M) in serum, urine of liquor.

    Lees verder ›
  • Microscopisch onderzoek feces

    Opsporen van mogelijke oorzaak van malabsorptie in het spijsverteringsorgaan.

    Lees verder ›
  • Microsporidium species

    zijn obligaat intracellulaire, sporenvormende eencellige parasieten () die gezamenlijk het subfylum van de vormen. Er zijn tientallen genera en honderden soorten beschreven, waarvan ten minste veertien pathogeen zijn bij de mens. De meest frequent bij de mens beschreven -infectie is die met . Daarnaast wordt als diarreeverwekker gezien. Deze laatste kan zich, net als enkele andere -soorten, ook naar andere organen verspreiden, zoals naar de hersenen, longen en nieren.

    Lees verder ›
  • Mijnworm

    en zijn rondwormen () en worden gezamenlijk aangeduid als mijnworm. Naast deze twee soorten bestaan er enkele niet-humane -soorten (o.a. en die gewoonlijk bij andere zoogdieren (in het bijzonder honden en katten) voorkomen en bij de mens tijdelijke huidklachten kunnen induceren. Mijnworm wordt gerekend tot de groep van grondnematoden.

    Lees verder ›
  • Minimal residual disease (MRD) bij hematologische maligniteiten

    (MRD)-diagnostiek heeft als doel de hoeveelheid tumorcellen die tijdens of na behandeling van een hematologische maligniteit nog in het beenmerg of bloed van de patiënt aanwezig zijn vast te stellen. Dergelijke informatie maakt het mogelijk om per patiënt de behandeling aan te passen (verminderen of verzwaren).

    Lees verder ›
  • Moleculaire classificatie van hematologische maligniteiten

    Onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van bepaalde moleculaire markers (genetische afwijkingen, zoals chromosoomafwijkingen en mutaties) bij patiënten met de diagnose hematologische maligniteit, teneinde een betere classificatie van het type hematologische maligniteit met betrekking tot diagnose en prognose te bewerkstelligen. De aanwezige verworven genetische afwijkingen kunnen vervolgens eventueel worden gebruikt voor het bepalen van de response op therapie van de patiënt met de hematologische maligniteit.

    Lees verder ›
  • Moleculaire klonaliteitsdiagnostiek van lymfoproliferaties

    Onderscheid maken tussen de aanwezigheid van (mono)klonale dan wel polyklonale populaties van B- of T-lymfocyten. In combinatie met histomorfologische, immunofenotypische en klinische gegevens draagt dit bij tot het vaststellen van het maligne (monoklonale) dan wel reactieve (polyklonale) karakter van de verdachte lymfoproliferatie en daarmee tot een betere diagnose.

    Lees verder ›
  • Monoklonale therapeutica (concentratie in serum/immunogeniciteit)

    Bepaling van concentraties van monoklonale therapeutica () en/of aantonen van antistoffen tegen deze therapeutische antistoffen in serum. De immunogeniciteit bij deze therapeutica wordt ook wel (ADA) genoemd.

    Lees verder ›
  • Moraxella catarrhalis

    is een gramnegatieve, aerobe diplokok die achtereenvolgens en genoemd werd alvorens in het genus te worden ingedeeld. Andere soorten binnen het genus worden in verband gebracht met conjunctivitis.

    Lees verder ›
  • MPL-mutatie

    Het testen op de aanwezigheid van mutaties in het (MPL) wordt gebruikt bij het diagnosticeren van de myeloproliferatieve aandoeningen (MPN) essentiële trombocytose (ET) en primaire myelofibrose (PMF). Bij patiënten met ET of PMF die geen -mutatie hebben, blijkt in circa 5-10% van de gevallen een -mutatie aantoonbaar. De zogenaamde driver-mutaties verantwoordelijk voor myeloproliferatieve aandoeningen (MPN) zijn -, - en -mutaties en detectie van deze mutaties verhoogt bij MPN de mogelijkheid tot specifieke mutatiedetectie tot meer dan 90%. Naast deze specifieke mutaties kunnen er bij MPN subklonale mutaties worden gevonden zoals 2, en en deze mutaties zijn prognostisch interessant. De 2016 WHO-revisie stelt daarom dat onderzoek naar subklonale mutaties van belang kan zijn voor patiënten met PMF die negatief zijn voor de -, - en -mutaties, de zogenaamd MPN’s. Vooral de aanwezigheid van een - of -mutatie gaat gepaard met verminderde overlevingsduur en verhoogde kans op leukemische ontaarding. MPN-patiënten zonder driver-mutatie, oftewel triple-negatieve patiënten, hebben een slechtere prognose.

    Lees verder ›
  • MRSA

    Meticillineresistente is een die door het vermogen om een speciaal penicillinebindend eiwit (PBP) te produceren resistent is tegen de werking van vrijwel alle β-lactamantibiotica (penicilline, cefalosporine en carbapenem). Bij veel MRSA’s is daarnaast nog sprake van resistentie tegen andere klassen antibiotica, waardoor in sommige gevallen effectieve behandeling van ernstige infecties zeer bemoeilijkt wordt.

    Lees verder ›
  • Mucopolysachariden (glycosaminoglycanen, GAG), screening in urine

    Nagaan of bij de patiënt een mucopolysacharidose (bindweefselziekte, verkeerde samenstelling van weefselvocht of van de extracellulaire matrix) aanwezig kan zijn, ofwel cellulaire opslag van mucopolysachariden in verschillende weefsels door een tekort aan een of meer lysosomale enzymen. De overmaat aan opgeslagen mucopolysachariden wordt in de urine uitgescheiden.

    Lees verder ›
  • Mycobacterium leprae

    is een zuurvaste staaf met affiniteit voor de schwanncellen. kan niet in vitro gekweekt kan worden en heeft in vivo een extreem lage groeisnelheid (verdubbelingstijd van 14 dagen). In geïnfecteerd weefsel zijn ze microscopisch te zien als bundels intracellulair gelegen staafjes en de dikke lipidenenvelop beschermt ze tegen afbraak in macrofagen en vele bactericide middelen.

    Lees verder ›
  • Mycobacterium species

    Naast de obligaat pathogene mycobacteriën behorend tot zijn er talloze andere soorten mycobacteriën. Een gemeenschappelijke benaming is atypische mycobacteriën en in de Engelstalige literatuur worden ze aangeduid als MOTT (). Kenmerkend voor de hele groep is de bijzondere celwandstructuur met een hoog gehalte aan vetzuren, die verantwoordelijk is voor de zuurvastheid in speciale kleuringen (ZN, auramine). Afhankelijk van de groeisnelheid en pigmentvorming werden de mycobacteriën ingedeeld in vier groepen volgens de classificatie van Runyon. Tegenwoordig berust de indeling vooral op variaties in de 16S ribosomale gensequenties.

    Lees verder ›
  • Mycobacterium tuberculosis-complex

    en de genetisch verwante soorten en vormen samen het complex (MTBC). Deze bacteriën hebben een bijzondere celwandsamenstelling met een hoog gehalte aan bijzondere vetzuren; door deze celwandsamenstelling zijn de bacteriën bestand tegen ontkleuring met zure alcoholoplossingen en daarom worden ze zuurvast genoemd. De bacteriën groeien uitsluitend aeroob en bijzonder langzaam met een delingstijd van 15-20 uur waardoor in het laboratorium groei pas na weken tot maanden wordt waargenomen.

    Lees verder ›
  • Mycoplasma genitalium

    wordt gevonden in de tractus genitalis van mannen en vrouwen. De bacterie is uiterst moeilijk te kweken en pas na het beschikbaar komen van DNA-amplificatietests begin jaren negentig van de vorige eeuw is informatie over de pathogene betekenis van deze bacterie beschikbaar gekomen.

    Lees verder ›
  • Mycoplasma pneumoniae

    wordt gevonden in de luchtwegen van de mens. Zoals alle mycoplasmata heeft deze bacterie geen celwand en kleurt daardoor ook niet aan in de gramkleuring. De bacterie heeft een grote affiniteit voor hechting aan luchtwegepitheel.

    Lees verder ›
  • Myoglobine

    Vaststellen van spierschade en risico-inschatting op acuut nierfalen.

    Lees verder ›
  • N-acetyl-α-glucosaminidase (EC 3.2.1.50)

    N-acetyl-α-D-glucosaminidase (NAGLU) is een lysosomaal enzym dat betrokken is bij de afbraak van het glycosaminoglycaan, heparansulfaat. Deficiëntie ten gevolge van mutaties in het -gen (meer dan honderd mutaties beschreven) leidt tot de ernstige neurodegeneratieve ziekte mucopolysacharidose type IIIB (MPSIIIB of Sanfilippo type B). Stapeling van heparansulfaat leidt tot een milde hepato- en splenomegalie en typerend zijn de gedragsproblemen en milde skeletafwijkingen.

    Lees verder ›
  • Natrium

    Vaststellen van hypo- of hypernatriëmie.

    Lees verder ›
  • Neisseria gonorrhoeae

    is een gramnegatieve diplokok uit de familie van de . Andere soorten uit deze familie zijn (meningokok), en veel commensale -soorten die normaal gesproken apathogeen zijn. is uitermate gevoelig voor uitdroging. De gonokok is voor zijn groei afhankelijk van de aanwezigheid van complexe groeifactoren en vereist dan ook speciale voedingsbodems voor isolatie.

    Lees verder ›
  • Neisseria meningitidis

    is een gramnegatieve diplokok uit de familie van de . Andere soorten uit deze familie zijn onder andere de gonokok, en veel meestal apathogene, commensale -soorten. Een belangrijke virulentiefactor van de meningokok is het polysacharidekapsel waarvan dertien varianten bekend zijn. De meest voorkomende kapseltypen in Nederland zijn B en C. Andere typen die af en toe worden gezien, zijn A (komt veel voor in Afrika) en W135 (bij Mekkagangers). Binnen de serogroepen is verdere subtypering mogelijk op basis van buitenmembraaneiwitten. Deze typering is vooral voor epidemiologische studies van belang.

    Lees verder ›
  • Neonatale hielprikscreening

    Alle pasgeborenen in Nederland worden gescreend op aangeboren ziekten middels de neonatale hielprikscreening. Tussen 72 en 168 uur na de geboorte wordt via deze hielprik een aantal druppels bloed verzameld op een strook filtreerpapier van een hielprikkaart. Afname gebeurt in het ziekenhuis door verpleegkundigen of medewerkers van het klinisch-chemisch laboratorium, en buiten het ziekenhuis door verloskundigen of door medewerkers van zogenaamde screenteams die onder verantwoordelijkheid van een thuiszorgorganisatie vallen.

    Lees verder ›
  • Neuronspecifiek enolase (NSE)

    Vaststellen tumormarker voor longcarcinoom en bepaalde endocriene tumoren.

    Lees verder ›
  • Nierstenen

    Onderzoek naar de samenstelling van de verkregen urinewegsteen in het kader van het ophelderen van de oorzaak van het ontstaan, en het zo nodig instellen van therapie.

    Lees verder ›
  • Niet-invasieve prenatale test (NIPT)

    Met deze screeningstest wordt de kans op een afwijking in het DNA van de foetus en op het voorkomen op trisomie onderzocht.

    Lees verder ›
  • Nocardia species

    species zijn grampositieve, halfzuurvaste aerobe actinomyceten die enige verwantschap hebben met mycobacteriën en .

    Lees verder ›
  • Non-fermenters

    Non-fermenters is een verzamelnaam voor een groep aeroob groeiende gramnegatieve staven niet die niet in staat om glucose af te breken), die regelmatig geïsoleerd worden uit klinische materialen.

    Lees verder ›
  • Norovirus

    Norovirus is een RNA-virus dat tot de familie van de hoort. Norovirus wordt onderverdeeld in vijf genogroepen, waarvan I en II het meest voorkomen in Nederland.

    Lees verder ›
  • Oestradiol

    Bepaling van serumgehalte oestradiol.

    Lees verder ›
  • Opiaten

    Vaststellen van gebruik van opiaten.

    Lees verder ›
  • Organische zuren

    Analyse van organische zuren in urine voor het aantonen, follow-up of bevestigen van erfelijke stoornissen in het intermediaire metabolisme.

    Lees verder ›
  • Osmolaliteit

    Lees verder ›
  • Osmotische resistentie van erytrocyten

    Het meten van de osmotische resistentie van erytrocyten, dat wil zeggen hun vermogen water op te nemen totdat dit tot lysis van de erytrocyten leidt.

    Lees verder ›
  • Pancreaselastase, in feces (p-elastase)

    Onderzoek van de exocriene pancreasfunctie.

    Lees verder ›
  • Papillomavirus (HPV)

    Papillomavirussen zijn DNA-virussen en horen tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Paracoccidioides brasiliensis

    Aantonen van paracoccidioïdomycose met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Para-influenzavirus

    Para-influenzavirussen zijn RNA-virussen en behoren tot de familie van de . Er zijn voor de mens drie pathogene typen: para-influenzavirus type I, II en III.

    Lees verder ›
  • Parathyroïdhormoon in bloed (PTH)

    Bepaling van parathyroïdhormoon (PTH) in plasma.

    Lees verder ›
  • Parvovirus B19

    Parvovirus B19 is een DNA-virus en hoort tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Pasteurella multocida

    is een fermentatieve, gramnegatieve bacterie. is de soort die het meest gekweekt wordt uit klinische materialen; daarnaast zijn nog andere soorten bekend. In tegenstelling tot de meeste gramnegatieve staven zijn in het algemeen goed gevoelig voor penicilline.

    Lees verder ›
  • Pediculus humanus var. capitis

    (hoofdluis) is een ectoparasiet. Dit insect leeft op de behaarde hoofdhuid.

    Lees verder ›
  • Plasminogeenactivatorinhibitor (PAI)

    Bepaling van de activiteit en de eiwitconcentratie van plasminogeenactivatorinhibitor (PAI).

    Lees verder ›
  • Plasmodium species

    species zijn eencellige parasieten () behorende tot de apicomplexa. Tot voor kort waren er vier -soorten bekend als veroorzaker van malaria bij de mens: (malaria tropica), en (malaria tertiana) en (malaria quartana). Recentelijk is daar bijgekomen, een soort die gewoonlijk bij apen voorkomt maar in Zuidoost-Azië ook bij de mens tot infecties leidt.

    Lees verder ›
  • Pneumocystis jirovecii

    (voorheen , ook met een enkele i wordt veel aangetroffen) is een eencellige fungus (gist). Het is niet bekend of een reservoir heeft buiten de mens.

    Lees verder ›
  • Pokkenvirussen

    Van de familie van de kunnen orthopoxvirussen, parapoxvirussen, yatapoxvirussen en molluscipoxvirussen ziekte bij de mens veroorzaken.

    Lees verder ›
  • Porfyrinen

    Bij verdenking op porfyrie, loodintoxicatie en hereditaire tyrosinemie (zeldzaam) vaststellen of afwijkingen in het heemmetabolisme passen bij de klachten van de patiënt.

    Lees verder ›
  • Prealbumine

    Bepaling van prealbumine werd gebruikt ter evaluatie van de eiwitvoedingsstatus. Naar huidige inzichten is prealbumine daar niet geschikt voor. Prealbumine kan een prognostische waarde hebben bij verschillende ziekten.

    Lees verder ›
  • Prenatale diagnostiek

    De hier te bespreken prenatale diagnostiek behoort nu, 2019, bij de traditionele methoden om prenatale diagnostiek uit te voeren. Traditionele methoden, zoals het invasief verzamelen van foetaal genetisch materiaal bij de vlokkentest of de vruchtwaterpunctie, hebben een risico op spontane abortus. Door de ontdekking, voor het eerst gemeld in 1997, van de aanwezigheid van foetaal DNA ( DNA, cffDNA) in de circulatie van zwangeren is het mogelijk geworden om op niet-invasieve wijze uit het bloed van de moeder genetische en chromosomale informatie te verkrijgen. De toepassing van deze mogelijkheden in de kliniek heeft geleid tot een sterke afname van de invasieve procedures. Er blijft zeker ruimte voor het uitvoeren van deze invasieve technieken als vervolg op een positieve uitslag bij de niet-invasieve screeningstests.

    Lees verder ›
  • Presymptomatisch DNA-onderzoek

    Vaststellen of bij een persoon die op dit moment gezond is, zich later in het leven een erfelijke ziekte zal openbaren. Door dit onderzoek wordt de leeftijd waarop de diagnose wordt gesteld aanzienlijk vervroegd. Binnen de klinisch-genetische praktijk wordt deze vorm van onderzoek voornamelijk aangevraagd bij erfelijke aandoeningen met een autosomaal dominant overervingspatroon die zich op volwassen leeftijd openbaren. De voornaamste groepen aandoeningen waarbij op dit moment presymptomatisch DNA-onderzoek plaats vindt zijn erfelijke vormen van kanker (bijvoorbeeld mammacarcinoom en coloncarcinoom), erfelijke neurodegeneratieve aandoeningen (bijvoorbeeld de ziekte van Huntington) en erfelijke neuromusculaire aandoeningen (met name myotone dystrofie).

    Lees verder ›
  • Primaire immunodeficiënties

    Het vaststellen van een primaire immunodeficiëntie bij voorkeur inclusief identificatie van het genetische defect

    Lees verder ›
  • Progesteron

    Meting van het progesterongehalte.

    Lees verder ›
  • Prolactine (PRL)

    Het bepalen van prolactine in bloed.

    Lees verder ›
  • Prostaatspecifiek antigeen in bloed (PSA)

    Bij verdenking op prostaatcarcinoom, in combinatie met rectaal onderzoek (DRE), vaststellen bij welke patiënten prostaatbiopsie geïndiceerd is.

    Lees verder ›
  • Proteïne C

    Bepaling van een tekort aan proteïne C.

    Lees verder ›
  • Proteïne S

    Bepaling van een tekort aan proteïne S bij de diagnostiek van erfelijke trombofilie.

    Lees verder ›
  • Protrombinetijd (PT)

    Screeningsonderzoek van de extrinsieke en gemeenschappelijke routes van het stollingssysteem.

    Lees verder ›
  • Pseudomonas aeruginosa

    is een aerobe, gepigmenteerde gramnegatieve staaf. De bacterie groeit gemakkelijk op de normale bacteriologische media, is resistent tegen veel antibiotica en ontwikkelt makkelijk resistentie tegen vrijwel alle antibiotica waarvoor de bacterie normaliter gevoelig is tijdens behandeling. Sommige stammen zijn extreem mucoïd door de vorming van kapsel.

    Lees verder ›
  • Pthirus pubis

    (schaamluis) is een ectoparasiet. Dit insect is nauw verwant aan het geslacht , waartoe ook hoofdluis en kledingluis behoren, maar is morfologisch vrij eenvoudig van deze twee andere soorten te onderscheiden. De schaamluis leeft met name op warme en vochtige plaatsen van het menselijke lichaam, vooral op schaamhaar en okselhaar, waar ze zich enkele malen per dag voeden met bloed. Bij uitzondering worden ze ook gevonden in wenkbrauwen of baard en bij kinderen op de wimpers. Bij infestatie van de schaamstreek wordt veelal gesproken over pthiriasis of pediculosis pubis, terwijl infestatie van de oogwimpers ook als pthiriasis palpebrarum bekendstaat.

    Lees verder ›
  • Purines en pyrimidines

    Het bepalen van het purine- en pyrimidinemetaboliet profiel in lichaamsvloeistoffen.

    Lees verder ›
  • Rabiësvirus

    Rabiësvirus is een RNA-virus en behoort tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Reductie-eigenschappen van urine

    Nagaan of in de urine van een patiënt stoffen aanwezig zijn die reducerende eigenschappen hebben. Daarbij wordt gedacht aan de aanwezigheid van gemakkelijk oxideerbare koolhydraten. De aanwezigheid kan duiden op een afwijking in het koolhydraatmechanisme.

    Lees verder ›
  • Renine

    Evaluatie van de activiteit van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS).

    Lees verder ›
  • Respiratoir syncytieel virus (RSV)

    RSV is een enkelstrengs RNA-virus uit de familie der . Wanneer het virus gekweekt wordt dan ontstaan er als gevolg van fusie van geïnfecteerde cellen syncytia, vandaar de naam.

    Lees verder ›
  • Respiratoire virussen

    In keeluitstrijken, keelspoelsel of nasofaryngeaal spoelsel (nasofarynxaspiraat) kunnen heel veel virussen aangetoond worden. Een aantal van deze virussen veroorzaakt lokale niet-specifiek respiratoire infecties (bijvoorbeeld herpes simplex), een aantal veroorzaakt veel meer gedissemineerde infecties (zoals mazelen) maar de grootste groep van virussen veroorzaakt respiratoire virusinfecties. Van deze virussen veroorzaakt een groep bovensteluchtweginfecties, de andere bronchiolitis, weer een andere alveolitis met een pneumonie. De virussen komen op heel wisselende tijdstippen in het jaar voor. De virussen zijn niet altijd even ziekmakend voor elke patiëntengroep. Soms zijn jonge kinderen ontvankelijker, een andere keer vooral mensen met een verminderde afweer. Soms geven virussen als onderdeel van een gedissemineerde infectie luchtwegpathologie (bijvoorbeeld waterpokken). Meest gebruikelijk is dat een laboratorium diagnostiek groepsgewijs aanbiedt, gebaseerd op een onderverdeling in klinische vraagstelling of patiëntengroep.

    Lees verder ›
  • Reticulocyten

    Reticulocyten zijn de voorlopers van erytrocyten. Het tellen van reticulocyten in het perifere bloed geeft op een eenvoudige manier een aanwijzing over de aanmaak van rode cellen in het beenmerg. Bij een verhoogde aanmaak van erytrocyten neemt het aantal reticulocyten toe. Het aantal reticulocyten is dus een maat voor de activiteit van de erytropoëse.

    Lees verder ›
  • Reumafactoren (RF)

    Diagnostiek bij verdenking op reumatoïde artritis (RA).

    Lees verder ›
  • Rh-bloedgroepen

    Bepalen van de Rh-bloedgroepen.

    Lees verder ›
  • Rinovirussen

    Rinovirussen zijn RNA-virussen en behoren tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Rickettsia en Ehrlichia

    en zijn intracellulaire gramnegatieve bacteriën. Kenmerkend voor deze pathogenen is dat ze door artropoden (luizen, vlooien, teken en mijten) worden overgebracht tussen de verschillende gastheren. De voornaamste soorten die de mens infecteren, worden ingedeeld in de volgende groepen:

    Lees verder ›
  • Rotavirus

    Rotavirus is een dubbelstrengs RNA-virus en behoort tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Rubellavirus

    Rubellavirus is een RNA-virus en hoort tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • S-100B in serum

    Merker voor de follow-up van patiënten met maligne melanoom en marker voor cerebrale schade.

    Lees verder ›
  • Salmonella species

    is een facultatief anaerobe gramnegatieve bacterie, behorend tot de familie der . De bacterie is in staat om na fagocytose te overleven in macrofagen. De poging van het lichaam om (hieruit) te elimineren, met name via het cellulaire deel van het immuunsysteem met de productie van allerlei cytokines, veroorzaakt een necrotiserende ontstekingsreactie van de lymfoïde weefsels in de buikholte (mesenteriale lymfeknopen, Peyer-plaques). Daardoor ontstaan soms complicaties zoals bloedingen of perforaties in (de buurt van) de Peyer-plaques.

    Lees verder ›
  • Sapovirus

    Sapovirus is een RNA-virus en hoort net als het norovirus tot de .

    Lees verder ›
  • Sarcoptes scabiei

    is een ectoparasiet, behorende tot de mijten, die op de menselijke huid leeft.

    Lees verder ›
  • SCC-antigeen (‘squamous cell carcinoma’-antigeen)

    Postoperatieve follow-up bij cervixcarcinoom en beoordeling van het effect van chemo- en/of radiotherapie.

    Lees verder ›
  • Schistosoma species

    is een platworm () behorende tot de groep van botten (). Er zijn vijf soorten die voor de mens van belang zijn, waarvan en relatief het meeste voorkomen.

    Lees verder ›
  • Semenanalyse

    Een semenanalyse wordt uitgevoerd in het kader van een oriënterend fertiliteitsonderzoek, dat zowel gericht is op het opsporen van de oorzaken van subfertiliteit als het bepalen van de kans op een spontane zwangerschap. Semenanalyses in het kader van behandeling van subfertiliteit, bijvoorbeeld intra-uteriene inseminatie (IUI), in-vitrofertilisatie (IVF) of intracytoplasmatische sperma-injectie (ICSI) of ter controle van een vasectomie/vasovasostomie worden buiten beschouwing gelaten, evenals analyses en bewerkingen van semen dat verkregen is na retrograde ejaculatie, elektro- of vibro-ejaculatie.

    Lees verder ›
  • Shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC)

    Shigatoxineproducerende (STEC) is een enteropathogene . STEC veroorzaakt diarree op basis van de vorming van toxines die sterk lijken op de toxines die door geproduceerd worden (SLT1 en SLT2): deze toxines werden eerder ook aangeduid als verotoxine, vandaar de oude naam ‘verotoxineproducerende ’. Vooral stammen met serotype O157:H7, die verschilden van de gewone in omzetting van sorbitol, waren bekend om de productie van deze toxine. Later is gebleken dat ook stammen uit andere serogroepen deze toxines kunnen produceren.

    Lees verder ›
  • Shigella species

    is een facultatief anaerobe gramnegatieve bacterie behorend tot de familie der . Binnen dit genus is een viertal soorten bekend: en . Deze soorten en de subtypen binnen elke soort zijn van elkaar te onderscheiden op basis van biochemische kenmerken en verschillen in O-antigenen. is overigens zeer nauw verwant aan . Resistentie tegen verschillende antibiotica komt veelvuldig voor bij .

    Lees verder ›
  • Sikkelceltest

    Het bevestigen van de veronderstelde HbS-variant voor diagnostiek en preventie van hemoglobinopathie. Preoperatieve controle op HbS ter voorkoming van incidenten bij niet-gediagnosticeerde dragers.

    Lees verder ›
  • Soluble IL-2-receptor

    Bepalen van lymfocytenactiviteit, met name T-lymfocyten.

    Lees verder ›
  • Sporenelementen en toxische elementen

    Vaststellen van de concentratie van sporenelementen dan wel toxische elementen in bloed en urine.

    Lees verder ›
  • Sporothrix schenckii

    Aantonen van met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Staphylococcus aureus

    is een grampositieve bacterie die zijn naam dankt aan de groei in clusters of trossen (σταφιλη = druiventros). De bacterie is in staat een groot aantal virulentiefactoren te produceren die een belangrijke rol spelen bij infecties zoals kapselpolysachariden, hemolysines en cytotoxines, diverse enzymen als coagulase, DNase en protease en oppervlakte-eiwitten als proteïne A.

    Lees verder ›
  • Staphylococcus species

    Stafylokokken anders dan worden vaak aangeduid als coagulasenegatieve stafylokokken (CNS). Er zijn 32 soorten bekend waarvan ongeveer de helft voorkomt als commensaal bij de mens op de huid en slijmvliezen. De pathogene betekenis van de coagulasenegatieve stafylokokken is veel geringer is dan die van ; toch worden infecties door deze bacteriën in toenemende mate gezien. Verbeterde identificatie methoden als de Maldi-TOF brengen verder differentie in wat vroeger CNS werd genoemd. Stammen zoals en worden vaker als pathogen aangemerkt, zeker in infecties met kunstmaterie in situ.

    Lees verder ›
  • Steroïdprofiel in urine

    De voornaamste toepassing van het profiel van steroïdhormonen in urine is inzicht te krijgen in een overproductie van androgene hormonen door de bijnieren, waarbij de status van meerdere hormonen beschouwd moet worden in hun onderlinge samenhang.

    Lees verder ›
  • Stollingsfactoren

    Onderzoek naar de stolfactoractiviteit van specifieke stolfactoren van het stollingssysteem.

    Lees verder ›
  • Streptobacillus moniliformis of Spirillum minus

    is een micro-aerofiele, zeer pleiomorfe kleine gramnegatieve staaf.

    Lees verder ›
  • Streptococcus pneumoniae, pneumokok

    is een gekapselde diplokok. Op basis van de polysachariden in het kapsel worden negentig verschillende serotypen onderscheiden.

    Lees verder ›
  • Strongyloides stercoralis

    is een rondworm () en wordt gerekend tot de groep van grondnematoden.

    Lees verder ›
  • Suikerabsorptietest

    De suikerabsorptietest wordt gebruikt voor het onderzoek van de darmdoorlaatbaarheid bij enteropathie en ontstekingsprocessen van de darmwand. Door meting van de mate van diffusie door de darmwand van twee niet-absorbeerbare suikers van verschillende molecuulgrootte kan een indruk worden gekregen van de barrièrefunctie en het oppervlak van de darmwand.

    Lees verder ›
  • Taenia saginata

    is een platworm (). Zoals de naam suggereert, is het een lintvormige, platte worm die bestaat uit een kop (scolex) met daarachter segmenten (proglottiden), waarin de eieren rijpen en die achter aan de worm loslaten. Deze proglottiden zijn plat, rechthoekig, enigszins beweeglijk en enkele millimeters groot. De diagnose komt men meestal op het spoor door het bij toeval vinden van proglottiden in feces. De mens is de hoofdgastheer (worm leeft in de darm) en het rund de tussengastheer (worm kapselt zich in spierweefsel in). Besmetting treedt op door het consumeren van onvoldoende verhit rundvlees van besmette koeien.

    Lees verder ›
  • Taenia solium

    is een platworm (), behorende tot de groep van lintwormen (). Zoals de naam suggereert is het een lintvormige, platte worm die bestaat uit een kop (scolex) met daarachter segmenten (proglottiden), waarin de eieren rijpen en die achter aan de worm loslaten. Deze proglottiden zijn plat en rechthoekig en in principe iets kleiner en minder beweeglijk dan die van . De mens is de hoofdgastheer (worm leeft in de darm) en het varken de tussengastheer (worm kapselt zich in spierweefsel in). Besmetting treedt op door het consumeren van onvoldoende verhit varkensvlees van besmette varkens. In tegenstelling tot kan bij de mens tevens tussengastheer zijn. Dit gebeurt bij orale opname van de -eieren of de rijpe proglottiden. Hierbij ontstaan cysticerci (blaaswormen) op verschillende plaatsen in het lichaam, zoals in de spieren, de subcutis, de ogen en de hersenen. In de hersenen kan dit tot ernstige neurologische verschijnselen leiden, aangeduid als neurocysticercose. Ook enkele andere (zeer zeldzame) lintwormsoorten kunnen cysticercose geven, alleen niet . Zie ook figuur 1 bij .

    Lees verder ›
  • Testosteron

    Evaluatie van de androgeenstatus.

    Lees verder ›
  • Thyreoglobuline (Tg)

    Bepaling van thyreoglobuline (Tg).

    Lees verder ›
  • Thyreotropine-’releasing’ hormoon-test (TRH-test)

    Meting van de respons van prolactine (PRL), humaan groeihormoon (hGH), thyroïdstimulerend hormoon (TSH) op toediening van TRH ter evaluatie van de hypofysefunctie.

    Lees verder ›
  • Thyroïdstimulerend hormoon (TSH)

    Bepaling van thyroïdstimulerend hormoon (TSH) in serum of plasma bij onderzoek naar het functioneren van de schildklier.

    Lees verder ›
  • Thyroxine, vrij (FT4)

    Meting van vrij thyroxine en thyroxine in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Thyroxinebindend globuline (TBG)

    Meting van thyroxinebindend globuline (TBG) in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Tick-borne encefalitis (TBE-)virus

    Tick-borne-encefalitisvirussen behoren tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Toxocara

    en zijn respectievelijk de honden- en kattenspoelworm. Pups komen vaak al besmet ter wereld, kittens raken besmet via de moedermelk. Beide scheiden grote aantallen eieren uit die na twee tot zes weken infectieus zijn. Volwassen dieren zijn ook vaak besmet, maar scheiden veel kleinere aantallen eieren uit. Indien infectieuze eieren door de mens worden opgegeten. komen ze uit, verlaten het maag-darmkanaal, en kunnen zich door de weefsels verplaatsen zonder uit te groeien tot volwassen wormen (viscerale larva migrans). -infecties verlopen echter mild of symptoomloos zolang het aantal parasieten gering blijft. is de voor de mens meest pathogene soort.

    Lees verder ›
  • Toxoplasma gondii

    is een eencellige parasiet () die obligaat intracellulair leeft. Bij katachtigen leeft de parasiet in de darmwand, waarbij oöcysten via de ontlasting worden uitgescheiden, die na enige tijd rijpen op de grond infectieus worden. Bij andere diersoorten, waaronder ook de mens, blijft de parasiet na orale opname niet in de darm maar invadeert het weefsel en vormt daar uiteindelijk weefselcysten. Deze weefselcysten kunnen overal in het lichaam worden gevonden, maar worden voornamelijk gezien in hart, hersenen, skeletspieren en longen. Naast contact met kattenuitwerpselen (tuinieren) is het eten van onvoldoende verhit vlees met weefselcysten een belangrijke besmettingsbron. Ziekteverschijnselen bij primo-infectie zijn mild, griepachtig met eventueel lymfadenitis. Bij immunosuppressie kunnen de parasieten reactiveren, met name in het centraal zenuwstelsel en in het oog. Bij een primo-infectie tijdens de zwangerschap kan congenitale toxoplasmose optreden. De infectie kan ook door middel van orgaantransplantatie worden overgebracht.

    Lees verder ›
  • Treponema pallidum

    is een spirocheet die niet in vitro gekweekt kan worden. Naast ssp. , de verwekker van syfilis, zijn er nog enkele nauwverwante soorten die eveneens pathogeen zijn voor de mens maar die in Nederland alleen gezien worden als importziekte: ssp. (yaws), ssp. (bejel, endemische syfilis) en (pinta).

    Lees verder ›
  • Trichinella spiralis

    is een rondworm (). Bij ingestie ontstaan invasieve larven die vanuit de darm migreren naar spierweefsel en daar een cyste vormen (encysteren). De bron is onvoldoende verhit vlees, in de meeste gevallen van varkens/zwijnen of paarden die op hun beurt gevoerd zijn geweest met onvoldoende verhit dierlijk voedsel. Trichinose is meldingsplichtig in categorie C (anonieme melding door het laboratorium).

    Lees verder ›
  • Trichomonas vaginalis

    is een eencellige parasiet ().

    Lees verder ›
  • Trichuris trichiura

    is een rondworm () en wordt gerekend tot de groep van grondnematoden.

    Lees verder ›
  • Triglyceriden

    Vaststellen triglyceridenconcentratie in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Tri-joodthyronine (T3)

    Aanvullend onderzoek ter bevestiging hyperthyreoïdie, wanneer de normale diagnostiek niet voldoet.

    Lees verder ›
  • Trombinetijd

    Onderzoek van de omzetting van fibrinogeen en de fibrinepolymerisatie.

    Lees verder ›
  • Trombocyten

    Het bepalen van de concentratie trombocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Trombocytenaggregatie

    Het bepalen van de trombocytenfunctie door trombocyten te aggregeren onder invloed van verschillende agonisten.

    Lees verder ›
  • Trombocytenalloantistoffen

    Het detecteren van alloantistoffen tegen trombocytspecifieke antigenen (humane plaatjesantigenen, HPA).

    Lees verder ›
  • Trombocytenantistoffen neonataal

    Het aantonen van maternale antistoffen tegen trombocyten van de foetus/neonaat, bij verdenking op FNAIT.

    Lees verder ›
  • Trombocytenautoantistoffen

    Het aantonen van autoantistoffen tegen trombocyten.

    Lees verder ›
  • Trombopoëtine

    Met behulp van een plasmatrombopoëtine (Tpo-)bepaling kan onderscheid gemaakt worden tussen een trombocytopenie door een verminderde aanmaak of een verhoogde afbraak van trombocyten.

    Lees verder ›
  • Tropheryma whipplei

    is een bacterie behorend tot de familie van de . De bacterie wordt ook nog wel aangeduid met de oude naam, is de veroorzaker van de ziekte van Whipple.

    Lees verder ›
  • Troponine

    Vaststellen/uitsluiten van acute hartschade.

    Lees verder ›
  • Trypanosoma brucei

    Trypanosomen zijn eencellige parasieten () behorende tot de weefselflagellaten. en zijn de veroorzakers van de humane Afrikaanse slaapziekte. De parasieten worden overgebracht door de tseetseevlieg ().

    Lees verder ›
  • Trypanosoma cruzi

    Trypanosomen zijn eencellige parasieten () behorende tot de weefselflagellaten. veroorzaakt de ziekte van Chagas. De parasiet wordt overgebracht door bloedzuigende wantsen. Een infectie kan ook worden overgebracht via bloedtransfusie, weefseltransplantatie en tijdens de zwangerschap.

    Lees verder ›
  • Tryptase

    Diagnostiek bij verdenking op anafylaxie en mastocytose middels serologisch tryptaseonderzoek voor het aantonen van mestceldegranulatie.

    Lees verder ›
  • Ureaplasma species

    en zijn mycoplasmasoorten die ureum nodig hebben voor hun groei.

    Lees verder ›
  • Ureum

    Inzicht verkrijgen in de functie van de nieren door het gelijktijdig of afzonderlijk meten van ureum in serum(plasma) en urine en de berekening van de ureumklaring. Daarnaast hebben de metingen afzonderlijk of gecombineerd tot doel het vervolgen van (chronische) stoornissen van de nierfunctie alsook van het effect van de behandeling daarvan; in geval van nierdialyse, het regelen van de dialysedosis en het betrouwbaar schatten van eiwitinname.

    Lees verder ›
  • Urinekweek

    Het doel van een urinekweek is het aantonen van de aanwezigheid van (snelgroeiende) bacteriën (of gisten) in de urine.

    Lees verder ›
  • Urineonderzoek, kwalitatief

    Onderzoek bij verdenking op afwijkingen aan of ziekten van de nieren en de urinewegen.

    Lees verder ›
  • Urinesediment

    Semikwantitatief onderzoek urinesediment bij verdenking op afwijkingen aan of ziekten van de nieren en de urinewegen.

    Lees verder ›
  • Urinezuur

    Vaststellen van hyperurikemie.

    Lees verder ›
  • Varicellazostervirus

    Varicellazostervirus is een DNA-virus, het humaan herpesvirus-3. Het hoort tot de familie van de . Het is een α-herpesvirus.

    Lees verder ›
  • Vasoactief intestinaal polypeptide (VIP)

    Bepalen van VIP in het plasma voor de diagnose en follow-up van VIP-producerende neuro-endocriene tumoren.

    Lees verder ›
  • Vet in feces

    Bepaling van de vetuitscheiding in feces.

    Lees verder ›
  • Vibrio cholerae

    zijn gramnegatieve, kommavormige bacteriën die van nature voorkomen in brak en zout water. Van bestaan meer dan honderd serotypen waarvan alleen type O1 en O139 als pathogeen beschouwd worden. Binnen het serotype O1 worden twee biotypen onderscheiden, het klassieke biotype en biotype El Tor. Gastro-enteritis veroorzaakt door is geassocieerd met het consumeren van besmette en onvoldoende verhitte of rauwe schaaldieren. De pathogene typen vormen de choleratoxine die zorgt voor verstoring van de uitwisseling van water en elektrolyten (vloeistofsecretie) in de darm waardoor diarree ontstaat.

    Lees verder ›
  • Viscositeit van plasma

    Bevestiging van verdenking op een verhoogde viscositeit

    Lees verder ›
  • Vitamine A en caroteen

    Aantonen en/of uitsluiten van vitamine A-deficiëntie.

    Lees verder ›
  • Vitamine B1

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine B (thiamine).

    Lees verder ›
  • Vitamine B2

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine B (riboflavine, E101).

    Lees verder ›
  • Vitamine B3

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine B (vitamine PP, , niacine, nicotinezuur, E375).

    Lees verder ›
  • Vitamine B5

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine B (D-pantotheenzuur).

    Lees verder ›
  • Vitamine B6

    Aantonen en/of uitsluiten van vitamine B-deficiëntie.

    Lees verder ›
  • Vitamine B12

    Het bevestigen van een vitaminetekort als vermoedelijke oorzaak van neurologische en hematologische aandoeningen door het meten van de concentraties van vitamine B en/of foliumzuur in het bloed. Voor beide vitamines geldt dat er een grijs gebied tussen voldoende aanwezigheid en ernstig tekort in het bloed bestaat waarin de gemeten bloedconcentratie geen eenduidig antwoord geeft op de vraag of in de weefsels zelf een tekort bestaat. Door het meten van de metabolieten homocysteïne en/of methylmalonzuur in plasma c.q. serum kan men daarover uitsluitsel krijgen (zie Homocysteïnetest en Methylmalonzuur (MMA)).

    Lees verder ›
  • Vitamine C

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine C (L-ascorbinezuur).

    Lees verder ›
  • Vitamine D en 25-OH-vitamine D

    Onderzoek naar de vitamine D-status.

    Lees verder ›
  • Vitamine E

    Aantonen en/of uitsluiten van vitamine E-deficiëntie of intoxicaties.

    Lees verder ›
  • Vitamine K

    Aantonen en/of uitsluiten van vitamine K-deficiëntie.

    Lees verder ›
  • Vitamine K-oxidereductasecomplex-1 (VKORC1)

    Genotypering voor -1639G>A of 1173C>T van het VKORC1 wordt uitgevoerd om de gevoeligheid voor coumarines (acenocoumarol, fenprocoumon, warfarine) vast te stellen.

    Lees verder ›
  • Voedselvergiftiging

    In het algemeen wordt voedselvergiftiging veroorzaakt door de groei van (toxinevormende) bacteriën in het voedsel, vóór de consumptie leidend tot toxineproductie. De belangrijkste verwekkers van voedselvergiftiging zijn en . Daarnaast worden infecties door bacteriën als en meestal veroorzaakt door het consumeren van besmet voedsel. Deze laatste groep wordt behandeld in andere hoofdstukken.

    Lees verder ›
  • Von Willebrand-factor (vWF)

    Bepaling van de activiteit en de eiwitconcentratie van de von Willebrand-factor (vWF).

    Lees verder ›
  • West-Nijl-virus

    West-Nijl-virus (WNV) is een RNA-virus en hoort tot de familie van .

    Lees verder ›
  • Yersinia species

    is een genus binnen de familie van de . De meest pathogene soorten zijn en . Oorspronkelijk waren de bacteriën van dit genus ingedeeld bij het genus . Van bestaat een aantal serotypen waarvan er maar enkele pathogeen zijn voor de mens (O3, O8 en O9).

    Lees verder ›
  • Ziehl-Neelsen-kleuring, Kinyoun-kleuring, auraminekleuring

    Sommige bacteriën hebben een celwand met een hoog gehalte aan mycolzuren, waardoor ze moeilijk te kleuren zijn maar – eenmaal gekleurd – ook moeilijk te ontkleuren, zelfs met zure alcoholoplossingen. Daarom worden deze bacteriën zuurvast genoemd. De belangrijkste zuurvaste bacteriën behoren tot het genus : en diverse andere soorten.

    Lees verder ›
  • Zikavirus

    Zikavirus is een enkelstrengs RNA-virus, lid van het genus familie van . Het is een is een ‘arthropod borne’-virus (arbovirus) dat het meest gerelateerd is aan de virussen die dengue, St. Louis-encefalitis, West-Nijl-koorts en Japanse encefalitis veroorzaken.

    Lees verder ›
  • Zink

    Het opsporen van een zinkdeficiëntie.

    Lees verder ›
  • Zwangerschapsscreening infectieziekten

    In de 12e week van de zwangerschap wordt bloed afgenomen voor de zwangerschapsscreening op drie infectieziekten: hepatitis B, syfilis en HIV. De achtergrond hiervan is dat deze aandoeningen een vermijdbaar risico voor de ongeborene inhouden. Voor HIV en hepatitis B geldt dat de screening plaatsvindt om overdracht durante partu te voorkomen door middel van profylaxe. Syfilis () is een bekende, zij het tegenwoordig zeldzame, oorzaak van miskramen en aangeboren afwijkingen die eenvoudig kan worden voorkomen door antibiotische behandeling. Hoewel de strikt genomen al voor de 12e week wordt gevonden in de foetus, neemt de kans op overdracht sterk toe met het ouder worden van de placenta. Behandeling van syfilis dient daarom direct na een positieve zwangerschapsscreening plaats te vinden. Ook bij een vroege besmetting treedt zichtbare schade overigens waarschijnlijk pas vanaf de 18e week op, wanneer het foetale immuunsysteem actief wordt.

    Lees verder ›
  • Zweettest

    De zweettest, waarbij de concentratie van chloride en eventueel natrium in zweet wordt gemeten, wordt gebruikt bij de diagnose van cystische fibrose (CF, taaislijmziekte).

    Lees verder ›
  • Zygomycose

    Aantonen van met microscopie en kweek.

    Lees verder ›
  • Referentiewaarden medische laboratoriumdiagnostiek

    Binnen de referentiewaarden vallen 95% van de analyseresultaten, verkregen bij onderzoek van een gezonde bevolkingsgroep, meestal (jonge) volwassenen. Dat wil zeggen dat 2,5% van de gezonde personen (1 op 40) een lagere en 2,5% van de personen (ook 1 op 40) een hogere uitslag heeft, al zal zo’n ‘afwijkende’ uitslag meestal niet ver buiten de referentiewaarden liggen. Voor de statistische achtergronden van de referentiewaarden wordt verwezen naar de specialistische literatuur. Om een indruk te krijgen van de kans dat de uitslag van een laboratoriumonderzoek ‘pluis’ of ‘niet pluis’ is kan deze niet alleen worden vergeleken met een eventuele eerdere uitslag, maar ook met bijpassende referentiewaarden. Daarbij moet de beoordelaar rekening houden met testeigenschappen zoals de gevoeligheid en specificiteit voor de betreffende aandoening en de meetfout van de betrokken methode. Zie hiervoor Medisch laboratoriumonderzoek, paragraaf 11 Klinische besliskunde.

    Lees verder ›
  • Referentiewaarden

    Lees verder ›
  • Conversiefactoren

    De CKD-EPI-berekeningsformule luidt:

    Lees verder ›