Alle artikelen

  • α1-antitrypsine, in feces (α1AT)

    Standaardinformatie bij aanvraag van laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht).

    Lees verder ›
  • α-foetoproteïne (AFP), als tumormarker

    Diagnose en follow-up van primair levercelcarcinoom en non-seminomateuze kiemceltumoren.

    Lees verder ›
  • 14-3-3 Eiwit in liquor

    Aantonen van 14-3-3 eiwit in liquor.

    Lees verder ›
  • 17-α-hydroxyprogesteron (17-OHP)

    Diagnostiek en follow-up van congenitale bijnierhyperplasie.

    Lees verder ›
  • A. Chemisch onderzoek: bloedpigmenten, glucose, lactaat en pyruvaat, eiwit, albumine, oligoklonale IgG-banden, immunoglobulinen, tumormarkers, hersenspecifieke eiwitten, neurotransmittermetabolieten

    Afname van liquor middels lumbale punctie of drain, en van bloed middels venapunctie. Voor diverse analyses is het essentieel dat de liquor wordt afgenomen en bewaard in polypropyleen buizen. Scheiding van serum of plasma middels centrifugeren. Cytometrie in liquor en bloed dient direct uitgevoerd te worden (zie hierna). Voor analyse van pyruvaat in liquor dient deze geconserveerd te worden, bijvoorbeeld door aan de liquor een gebufferde oplossing van een quaternair ammoniumzout met natriumfluoride toe te voegen. Voor overige bepalingen dient invriezen te worden overwogen, tenzij de component stabiel is en de bepaling binnen enkele dagen plaatsvindt.

    Lees verder ›
  • ABO-bloedgroepen en -antistoffen

    Bepalen van de ABO (A, B, O)-bloedgroep (schrijfwijze letter O maar in spreektaal aangegeven als ‘nul’) en antistoffen tegen deze bloedgroepen.

    Lees verder ›
  • Acanthamoeba species

    Vrij levende amoeben, protozoën.

    Lees verder ›
  • Acromegalie ICPC-2: T99; ICD-10: E22.0

    Acromegalie is een ziektebeeld berustend op overproductie van groeihormoon, met een sluipend begin en verloop. De belangrijkste symptomen zijn vergroving van de gelaatstrekken, groei van handen en voeten, overmatig transpireren, gezichtsvelduitval, hoofdpijn, prikkelingen in de handen, vlezige handpalmen en gewrichtsklachten. Bij kinderen en adolescenten bij wie de epifysairschijven nog niet gesloten zijn staat overmatige lengtegroei op de voorgrond (zie Groeistoornissen bij kinderen, te groot).

    Lees verder ›
  • Actinomyces species

    Actinomyceten zijn filamenteuze, grampositieve, anaerobe bacteriën.

    Lees verder ›
  • Activated partial-thromboplastin time (APTT)

    Onderzoek van de intrinsieke en gemeenschappelijke routes van het stollingssysteem.

    Lees verder ›
  • Ziekte van Addison ICPC-2: T99; ICD-10: E27.1

    De ziekte van Addison is een primaire bijnierschorsinsufficiëntie, met uitval van de in de bijnierschors geproduceerde steroïdhormonen (glucocorticoïden, mineralocorticoïden en androgenen), veelal als uiting van een auto-immuun adrenalitis.

    Lees verder ›
  • Adenovirus

    Adenovirussen zijn DNA-virussen, behorend tot de familie van de adenoviridae.

    Lees verder ›
  • Adiponectine

    Het doel is de meting van de concentratie van adiponectine in verband met mogelijke stoornissen bij obesitas, atherosclerose, diabetes mellitus type 2.

    Lees verder ›
  • Adrenocorticotroophormoon-functietests (ACTH-functietests)

    Het meten van de reservecapaciteit van de hypofyse, dan wel de bijnier voor ACTH- of cortisolproductie.

    Lees verder ›
  • Adrenocorticotroop hormoon (ACTH)

    Adrenocorticotroop hormoon (ACTH) wordt bepaald bij de diagnostiek naar hyper- of hypofunctie van de bijnier.

    Lees verder ›
  • Aeromonas

    Aeromonas-soorten zijn gramnegatieve bacteriën behorend tot een aparte familie van de Aeromonadaceae; inmiddels zijn er ten minste veertien verschillende species bekend, waarvan de bovengenoemde soorten het meest worden gevonden in klinische materialen.

    Lees verder ›
  • Alanineaminotransferase (ALAT)

    Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie leeftijd, geslacht).

    Lees verder ›
  • Albumine, in serum

    Bepaling van albumine in serum.

    Lees verder ›
  • Albumine, in urine

    Het vaststellen van een gestoorde nierfunctie, waarbij er te veel albumine wordt uitgescheiden in de urine.

    Lees verder ›
  • Alcohol

    Analyse van alcohol (ethanol) in bloed

    Lees verder ›
  • Aldosteron

    Vaststellen van overproductie van mineralocorticoïden en/of aldosteron bij de differentiaaldiagnostiek van mineralocorticoïdhypertensie.

    Lees verder ›
  • Alkalische fosfatase (AF)

    De activiteitsbepaling van alkalische fosfatase (AF) wordt gebruikt bij de diagnostiek en de follow-up van leveraandoeningen en botziekten.

    Lees verder ›
  • Allergische rinitis ICPC-2: R97; ICD-10: J30

    Allergische rinitis is een meer dan 4 weken bestaande of frequent recidiverende aandoening, waarbij sprake is van neusklachten zoals niezen, verstopte neus, loopneus en jeuk van de neus. Het kan gepaard gaan met jeukende ogen (allergische conjunctivitis) en met andere uitingen van atopie.

    Lees verder ›
  • Alopecia/Haaruitval ICPC-2: S23; ICD-10: L63;L64;L65;L66

    Alopecia betekent: kaalheid-er groeit geen terminaal haar (meer) op de gewoonlijk behaarde plaatsen van het lichaam.

    Lees verder ›
  • Amenorroe/Oligomenorroe ICPC-2: X05; ICD-10: E28

    Amenorroe is het uitblijven van periodiek vaginaal bloedverlies gedurende meer dan 6 maanden dan wel 199 dagen. Als regel is er sprake van anovulatie.

    Lees verder ›
  • hypergonadotroop Amenorroe/Oligomenorroe ICPC-2: T99; ICD-10: E28.0;E28.1;E28.2

    Hypergonadotrope amenorroe/oligomenorroe is primaire of secundaire amenorroe/oligomenorroe met verhoogde gonadotrofinen (FSH > 20 IU/l). Referentiewaarden FSH en daarmee de beslisgrenzen zijn methode- en laboratoriumafhankelijk.

    Lees verder ›
  • hypogonadotroop Amenorroe/Oligomenorroe ICPC-2: T99; ICD-10: E28.3:

    Hypogonadotrope amenorroe/oligomenorroe is primaire of secundaire oligo- of amenorroe met verlaagde gonadotrofinen (FSH < 1,5 IU/l). Referentiewaarden FSH en daarmee de beslisgrenzen zijn methode- en laboratoriumafhankelijk. ‘Hypogonadotroop’ betekent in de praktijk vrijwel altijd amenorroe.

    Lees verder ›
  • normogonadotroop Amenorroe/Oligomenorroe ICPC-2: X05; ICD-10: N91

    Normogonadotrope amenorroe/oligomenorroe is primaire of secundaire oligo- of amenorroe met normale gonadotrofinen (FSH: 1,5-10 IU/l). Referentiewaarden FSH en daarmee de beslisgrenzen zijn methode- en laboratoriumafhankelijk. Volgens de huidige polycysteus ovariumsyndroom (PCOS)-consensus heeft ongeveer 90% van de patiënten PCOS. Bij de resterende 10% is het van belang congenitale dan wel verworven afwijkingen aan de genitalia interna uit te sluiten.1

    Lees verder ›
  • Amfetamines

    Onderzoek op gebruik van amfetamines.

    Lees verder ›
  • Aminozuren

    Analyse van aminozuren in bloed en/of urine voor het aantonen, follow-up of bevestigen van erfelijke stoornissen in het aminozuurmetabolisme.

    Lees verder ›
  • Ammonium

    Vaststellen of de verwerking van ammonium in het lichaam gestoord is.

    Lees verder ›
  • Amylase, totaal

    Vaststellen van de hoogte van de activiteit van het totaal amylase (zowel pancreas- als speekselamylase) in plasma, serum en urine.

    Lees verder ›
  • Amylase-pancreas iso-enzym

    Diagnostiek van acute pancreatitis. Interpretatie van een verhoogde amylaseactiviteit.

    Lees verder ›
  • Anaerobe bacteriën, niet-porulerend

    Anaerobe bacteriën zijn bacteriën die uitsluitend groeien in afwezigheid van zuurstof; de mate van gevoeligheid voor zuurstof is sterk variabel. Onder de anaerobe bacteriën treft men zowel grampositieve als gramnegatieve soorten aan. Een bijzondere groep zijn de sporenvormende anaerobe bacteriën behorend tot Clostridium species; deze worden apart besproken.

    Lees verder ›
  • Anemie ICPC-2: B82; ICD-10: D64.9

    Bij anemie bestaat een tekort aan erytrocyten en/of hemoglobine (Hb) in het perifere bloed. In de praktijk worden in Nederland als afkappunten voor het Hb 7,5 mmol/l bij vrouwen (6,8 bij zwangeren) en 8,4 mmol/l bij mannen gehanteerd en voor de erytrocyten 4,2 resp. 4,6 x 10¹²/l. Er bestaan 3 hoofdvormen (microcytaire, normocytaire en macrocytaire anemie), welke op grond van het mean corpuscular volume (MCV) worden vastgesteld. Deze worden in aparte teksten besproken.

    Lees verder ›
  • Macrocytair anemie ICPC-2: B81; ICD-10: D52.9

    Macrocytaire anemie is een anemie met een verhoogd MCV (mean corpuscular volume) (> 100fl). Macrocytaire anemieën worden vanouds, op grond van het celbeeld van het beenmerg, ingedeeld in megaloblastaire en normoblastaire anemieën.

    Lees verder ›
  • Microcytair anemie ICPC-2: B80; ICD-10: D50.8

    Microcytaire anemie is een anemie met een verlaagd MCV (mean corpuscular volume) (< 80 fl).

    Lees verder ›
  • Normocytair anemie ICPC-2: B82; ICD-10: D64.9

    Anemie met een normaal MCV (mean corpuscular volume) (80-100 fl).

    Lees verder ›
  • Aneurysma aortae abdominalis ICPC-2: K99; ICD-10: I71.4

    Een aneurysma aortae abdominalis (AAA) is een verwijding van de aorta abdominalis (circa 1,5 x diameter bij de renaalarteriën, of > 3 cm), meestal gelokaliseerd in het infrarenale deel van de aorta abdominalis. De verwijding kan de gehele omtrek van de aorta betreffen (fusiform) of alleen een deel van de omtrek (sacculair).

    Lees verder ›
  • Angina pectoris ICPC-2: K74; ICD-10: I20.9

    Angina pectoris: beklemmende of drukkende pijn of onaangenaam gevoel op de borst, veroorzaakt door ischemie van het myocard.

    Lees verder ›
  • Angiotensineconverterend enzym (ACE)

    Vaststellen van de activiteit van angiotensineconverterend enzym (ACE).

    Lees verder ›
  • Angststoornissen ICPC-2: P74; ICD10: F41.0;F41.1;F41.8;F41.9

    Een angststoornis bestaat uit bovenmatige angst en bezorgdheid, of angst die ook aanhoudt bij afwezigheid van het gevaar. Onder angst verstaan we het subjectieve gevoel van angst, gedachten rond gevaar, lichamelijke veranderingen zoals een versnelde hartslag en motorische activiteit zoals wegvluchten of om hulp roepen. Blootstelling aan de focus van de angst gaat met duidelijke lijdensdruk gepaard. De angst hindert de patiënt in het dagelijks functioneren.1

    Lees verder ›
  • Anti-Xa

    Bepaling van de activiteit van laagmoleculairgewichtheparine (LMWH) of pentasachariden ter controle van antitrombotische behandeling. In specifieke gevallen kan de anti-Xa-bepaling worden gebruikt voor het vaststellen van de therapeutische range van ongefractioneerd heparine op basis van de APTT. Tevens zijn er anti-Xa-reagentia beschikbaar als methode van monitoring van directe factor Xa-remmers zoals rivaroxaban.

    Lees verder ›
  • Antidiuretisch hormoon in bloed (ADH)

    Bepaling van het antidiuretisch hormoon (ADH) of vasopressine in bloed.

    Lees verder ›
  • Antiglobulinetests

    De directe antiglobulinetest (DAT) is gericht op het aantonen van antistoffen en/of complementfactoren die in vivo zijn gebonden aan de erytrocyten van de patiënt. De indirecte antiglobulinetest (IAT) is gericht op het aantonen van antistoffen gericht tegen erytrocyten in het serum of plasma van de patiënt. Vroeger werd de antiglobulinetest ook wel Coombs-test genoemd naar de onderzoeker dr. Coombs die deze test bedacht, zo bestaat de directe en indirecte Coombs-test.

    Lees verder ›
  • Antimulleriaans hormoon (AMH)

    Het onderzoek gaat erom de concentratie van het antimulleriaans hormoon te meten. Dit hormoon wordt door de testikels en de ovaria in wisselende hoeveelheden geproduceerd passend bij geslacht en leeftijd.

    Lees verder ›
  • Antineutrofiele cytoplasmatische antistoffen (ANCA)

    Vaststellen van de aan- of afwezigheid van antineutrofiele cytoplasmatische antistoffen (ANCA), van de specificiteit van de ANCA (vooral gericht tegen proteïnase-3/PR3 of tegen myeloperoxidase/MPO) en kwantitatieve bepaling van ANCA-spiegels bij diagnostiek en ter evaluatie van therapie en beloop van ziekte bij patiënten met systemische vasculitis.

    Lees verder ›
  • Antinucleaire antistoffen (ANA)

    Vaststellen van de aan- of afwezigheid van antinucleaire antistoffen (ANA), het eventueel kwantificeren van de hoeveelheid ervan en het nader vaststellen van de specificiteit van de ANA.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen SLA

    Diagnostiek bij verdenking op auto-immuunhepatitis.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen Saccharomyces cerevisiae (ASCA)

    Vaststellen van antistoffen tegen Saccharomyces cerevisiae (ASCA) in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen acetylcholinereceptoren

    Diagnostiek bij verdenking op myasthenia gravis (MG).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen aquaporine 4

    Vaststellen van de aan- of afwezigheid van antistoffen tegen aquaporine-4 (AQP4).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen bijnierschors

    Diagnose auto-immuunadrenalitis (ziekte van Addison, bijnierschorsdeficiëntie).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen cardiolipine (aCLA) en β2-glycoproteïne 1 (β2-GP1)

    Diagnostiek van antifosfolipidensyndroom (APS).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen cyclische, gecitrullineerde peptiden (CCP)

    Vaststellen van antistoffen tegen cyclische, gecitrullineerde peptiden (CCP) in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen eilandjes van Langerhans

    Differentiaaldiagnostiek van diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen endomysium (EMA)

    Het serologisch opsporen van actieve coeliakie; ter bevestiging van de uitslag van de transglutaminase 2 antistoffen (TG2A).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen gangliosiden

    Diagnostiek bij verdenking op immuungemedieerde polyneuropathie.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen glad spierweefsel

    Diagnostiek bij verdenking op auto-immuunhepatitis.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen glomerulaire basaalmembraan

    Diagnostiek bij verdenking op het syndroom van Goodpasture.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen glutaminezuurdecarboxylase (GAD) en islet antigen-2 (IA-2)

    Differentiaaldiagnostiek van diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen huid

    Diagnostiek bij verdenking op blaarvormende huidziekten, zoals pemfigus en parapemfigus.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen intrinsic factor

    Diagnose van pernicieuze anemie.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen mitochondriën

    Diagnostiek bij verdenking op primaire biliaire cirrose (PBC).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen muscle-specific tyrosine kinase (MuSK)

    Diagnostiek bij verdenking op myasthenia gravis (MG), bij afwezigheid van antistoffen tegen acetylcholinereceptoren (AchR).

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen myelinegeassocieerd glycoproteïne (MAG)

    Diagnostiek bij verdenking op een gammopathiegeassocieerde polyneuropathie.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen pariëtale cellen

    Diagnose van auto-immuungastritis en pernicieuze anemie.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen skeletspierweefsel

    Diagnostiek bij verdenking op myasthenia gravis (MG).

    Lees verder ›
  • Antistolling

    Het monitoren van het effect van anticoagulantia op de plasmatische stolling.

    Lees verder ›
  • Antitrombine

    Bepalen van de antitrombineactiviteit in plasma bij de diagnostiek van diffuse intravasale stolling en erfelijke tromboseneiging.

    Lees verder ›
  • Anurie ICPC-2: U05; ICD-10: R34

    Anurie betekent een urineproductie van < 50 ml/dag; oligurie een urineproductie van 50-400 ml/dag. Voor oligurie wordt verwezen naar de klinische probleemstelling Nierinsufficiëntie, acute.

    Lees verder ›
  • Aortadissectie ICPC-2: K99; ICD-10: I71.0

    Een dissectie van de aorta is een splijting van de vaatwand door bloedophoping in de media via een scheur in de intima. Als complicatie kan op den duur een aneurysmatische verwijding ontstaan (aneurysma dissecans).

    Lees verder ›
  • Apolipoproteïnen (A1, B100, E, CII)

    Bepaling apolipoproteïnen in serum/plasma.

    Lees verder ›
  • Appendicitis acuta ICPC-2: D88; ICD-10: K37

    Appendicitis acuta is een acute ontsteking van de appendix vermiformis. De typische (klassieke) acute appendicitis begint met slecht gelokaliseerde pijn in het epigastrium of periumbilicaal die zich later lokaliseert rechts onder in de buik (migratie). Anorexie, misselijkheid en braken zijn vaak aanwezig. De temperatuur is meestal licht verhoogd (37,8-38,3°C) en er is in het algemeen (matige) leukocytose.1,2

    Lees verder ›
  • Arteriitis temporalis ICPC-2: K99; ICD-10: M31.6

    Vasculitis van de middelgrote en grote arteriën, met name bekend door de meest voorkomende presentatie van klachten en afwijkingen in het gebied van de A. temporalis. Synoniem: reuscelarteriitis, arteriitis cranialis. De A. vertebralis is in gelijke frequentie aangedaan. Vasculitis van de A. occipitalis is in een aantal gevallen de oorzaak van pijn in het achterhoofd.

    Lees verder ›
  • Acute artritis

    Artritis: gewrichtsontsteking, klassiek gekenmerkt door pijn, zwelling, warmte, roodheid en beperkte functie door ontsteking van het synoviale weefsel.

    Lees verder ›
  • Artrose van de handen ICPC-2: L91; ICD-10: M15.1

    Artrose van de handen wordt gekenmerkt door pijn en stijfheid met benige verdikking van de distale interfalangeale gewrichten en het eerste carpometacarpale gewricht alsook van de proximale interfalangeale gewrichten. Artrose van de handen is geassocieerd met artrose van de knieën.

    Lees verder ›
  • Artrose van de heup ICPC-2: L89; ICD-10: M16

    Artrose van de heup (coxartrose) wordt gekenmerkt door progressief toenemende pijn na belasting van het heupgewricht, door stijfheid en bewegingsbeperking.

    Lees verder ›
  • Artrose van de knie ICPC-2: L90; ICD-10: M17

    Artrose van de knie (gonartrose) wordt gekenmerkt door progressief toenemende pijn na belasting van het kniegewricht, door stijfheid en bewegingsbeperking. Artrose van de knie kan zich manifesteren in het laterale of mediale tibiofemorale compartiment of het patellofemorale compartiment. Artrose van de knieën is geassocieerd met artrose van de handen.

    Lees verder ›
  • Artrose ICPC-2: L91; ICD-10: M19.9

    Artrose of osteoartritis is een traag evoluerende gewrichtsaandoening gekenmerkt door progressief verlies van kraakbeen met veranderingen in het subchondrale bot en het bot ter plaatse van de gewrichtsranden. Dit gaat gepaard met gewrichtspijn na belasting, stijfheid en bewegingsbeperking.

    Lees verder ›
  • Ascaris lumbricoides

    Ascaris lumbricoides is een rondworm (Nematoda) en wordt gerekend tot de groep van grondnematoden.

    Lees verder ›
  • Ascites ICPC-2: D29; ICD-10: R18

    Ascites is een spontane ophoping van vrij vocht in de buikholte.1 De voornaamste oorzaak van ascites is levercirrose. Voor de differentiaal diagnose van ascites dient gebruik te worden gemaakt van de serum-ascites-albuminegradiënt (SAAG).2-4 Ascites ten gevolge van portale hypertensie (bijvoorbeeld cirrose, hartfalen) heeft een SAAG ≥ 11 g/l. Ascites ten gevolge van overige aandoeningen, zoals pancreasaandoeningen, maligniteit, of tuberculose, heeft een SAAG < 11 g/l.2-5

    Lees verder ›
  • Aspartaataminotransferase (ASAT)

    Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie leeftijd, geslacht).

    Lees verder ›
  • Aspergillus

    Aantonen van infectie met Aspergillus door middel van microscopie, kweek en/of antistoffen en antigeen.

    Lees verder ›
  • Astma bij kinderen ICPC-2: R96; ICD-10: J45

    Astma is een recidiverende, aanvalsgewijs optredende bronchusobstructie met als symptomen dyspneu, hoesten, piepen en volzitten.

    Lees verder ›
  • Astma bij volwassenen ICPC-2: R96; ICD-10: J45

    Astma wordt gekenmerkt door aanvallen van dyspneu als gevolg van luchtwegobstructie. Astma onderscheidt zich van COPD door reversibiliteit van de bronchusobstructie en een veelal normale longfunctie tussen de aanvallen.1

    Lees verder ›
  • Astrovirus

    Enkelstrengs RNA-virus behorend tot de familie van astroviridae.

    Lees verder ›
  • Atriumfibrilleren ICPC-2: K78; ICD-10: I48

    Atriumfibrilleren (boezemfibrilleren) is een hartritmestoornis die wordt gekenmerkt door ongeorganiseerde elektrische activiteit van de atria. De ventriculaire respons is totaal irregulair, leidend tot een totaal irregulaire pols. Atriumfibrilleren kan in aanvallen optreden (paroxismaal, meestal vanzelf verdwijnend binnen 48 uur) of chronisch zijn. Chronisch atriumfibrilleren wordt onderverdeeld in persisterend (nog wel converteerbaar naar sinusritme) en permanent (niet meer converteerbaar naar sinusritme).

    Lees verder ›
  • B. Cellen

    Celtelling en celdifferentiatie moeten zo snel mogelijk worden uitgevoerd en wel binnen twee uur na afname van de liquor. Het tellen van cellen in liquor kan microscopisch uitgevoerd worden met behulp van een telkamer volgens Fuchs-Rosenthal. Voordeel van deze methode is het geringe volume dat nodig is. Zeer gevoelige, recentelijk ontwikkelde, geautomatiseerde tellingen met moderne celtellers bieden een alternatief voor de handmatige celtelling. Een mogelijk nadeel van het gebruik van automatische celtellers is het grotere benodigde volume, maar voordelen omvatten de beperkte analystische inzet en hoge reproduceerbaarheid van de resultaten.

    Lees verder ›
  • BK-virus en JC-virus

    BK- en JC-virus zijn DNA-virussen. Deze polyomavirussen behoren met de papillomavirussen tot de familie van de papovaviridae.

    Lees verder ›
  • BNP en NT-proBNP

    Uitsluiten van hartfalen of een cardiale oorzaak van (acute) dyspneu.

    Lees verder ›
  • Bacillus anthracis

    Sporenvormende grampositieve staaf die een aantal krachtige toxines produceert en een (polyglutamaat)kapsel; beide factoren spelen een belangrijke rol spelen in de pathogenese van antrax (miltvuur) bij mens en dier.

    Lees verder ›
  • Bacillus cereus

    Sporenvormende, aerobe grampositieve staaf die een aantal exotoxines produceert.

    Lees verder ›
  • Bacteriële kweek, algemeen

    Bij een zogenaamde banale kweek wordt gezocht naar snelgroeiende bacteriën en gisten die binnen enkele dagen groeien op algemeen gebruikte voedingsbodems als bloedagar of chocoladeagar.

    Lees verder ›
  • Bakercyste ICPC-2: L87; ICD-10: M71.2

    Een Bakercyste (kniekuilcyste) is een niet-pijnlijke fluctuerende zwelling in de knieholte. De cyste kan worden veroorzaakt door een herniatie van de synoviale bekleding van het gewrichtskapsel, of door een bursa van de M. semimebranosus of de kop van de mediale gastrocnemius. De zwelling is meer prominent bij volledige extensie van de knie dan bij lichte flexie.

    Lees verder ›
  • Balantidium coli

    Balantidium coli is een Protozoa (eencellige parasiet) die in de darm leeft en behoort tot de klasse van de Ciliata.

    Lees verder ›
  • Bartonella henselae

    Bartonella henselae is een gramnegatieve bacterie die bij katten voorkomt en die incidenteel ziekte veroorzaakt bij de mens. Andere Bartonella-soorten die ziekte veroorzaken bij de mens zijn B. quintana, de veroorzaker van loopgravenkoorts, B. bacilliformis, de verwekker van Oroyakoorts en verrruga peruana, koortsende ziekten met huidmanifestaties die voorkomen in het Andesgebied.

    Lees verder ›
  • Basaalcelcarcinoom ICPC-2: S77; ICD-10: C44

    Het basaalcelcarcinooom (BCC), synoniem met basocellulair carcinoom en basalioom, is de meest voorkomende maligne huidtumor.

    Lees verder ›
  • Benzodiazepines

    Vaststellen van gebruik van benzodiazepines.

    Lees verder ›
  • Bezinking (BSE)

    De bezinking (BSE) is een screeningsonderzoek bij symptomatische patiënten voor het opsporen van die ziekten, die een acutefasereactie bewerkstelligen of die een verhoging van immunoglobulinen geven. Sequentieel bepaald is de bezinking een parameter om het verloop van deze processen te volgen.

    Lees verder ›
  • Bilirubine

    Bepaling van verhoogd bilirubinegehalte.

    Lees verder ›
  • Bipolaire stoornis ICPC-2: P73; ICD-10: F31

    Een bipolaire stoornis bestaat uit het afwisselend voorkomen van manische of hypomanische, depressieve, en gemengde episodes. Een bipolaire I-stoornis wordt vastgesteld bij ten minste 1 doorgemaakte manische episode, een bipolaire II-stoornis bij hoofdzakelijk depressieve episodes en ten minste 1 hypomanische episode. De duur van de episodes kan kort (dagen tot weken) of lang (maanden) zijn. Er kunnen zich direct opeenvolgende episodes voordoen zonder tussenliggend herstel.

    Lees verder ›
  • Blastomyces dermatitidis

    Aantonen van blastomycose met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Bloedgassen

    Het in beeld brengen van de gasuitwisseling en de zuur-basestatus van de patiënt middels het bepalen van de bloedgasparameters. Afhankelijk van het type analyser kunnen veelal de volgende bepalingen worden gemeten of berekend, pH, pO2, PCO2, HCO3–, BE, O2-sat, SaO2, FO2Hb, COHb, MetHB en SulfHb, Na+, K+, iCa2+, Cl–, aniongap, glucose en lactaat.

    Lees verder ›
  • Verhoogde bloedingsneiging ICPC-2: B83; ICD-10: D65;D66;D67;D68;D69

    Bij een verhoogde bloedingsneiging/hemorragische diathese is sprake van een stoornis in de hemostase, blijkend uit een spontane of bij een gering trauma optredende en/of lang aanhoudende bloeding na een verwonding of chirurgische ingreep. De spontane bloedingen kunnen gelokaliseerd zijn in de huid (petechiën, purpura, hematomen, ecchymosen), slijmvliezen (neus, tandvlees), spieren, gewrichten en inwendige organen (leidend tot bijvoorbeeld menorragie, melaena, haemoptoe, hematurie, hersenbloeding).

    Lees verder ›
  • Bloedkweek

    Het doel van een bloedkweek is het aantonen van de aanwezigheid van bacteriën (of gisten) in het bloed.

    Lees verder ›
  • Bloedonderzoek (viraal)

    Bloed is een bijzonder belangrijk materiaal voor virusdiagnostiek. Heel veel virussen kennen tijdens de fase van acute ziekte of in de fase voorafgaand aan acute ziekte een viremische fase. In het bloed kan virusantigeen of viraal RNA of DNA aangetoond worden. Gaat de acute fase over in een chronische infectie, dan kunnen vele virussen ook in deze fase in het bloed worden aangetoond. Dit gebeurt meestal door het viraal RNA of DNA aan te tonen.

    Lees verder ›
  • Bofvirus

    Bofvirus is een RNA-virus en behoort tot het genus rubellavirus (familie paramyxoviridae).

    Lees verder ›
  • Bordetella pertussis

    Bordetella pertussis is een strikt aerobe gramnegatieve bacterie met hoge groei-eisen, die alleen op speciale voedingsbodems groeit en daarom bij een banale kweek niet geïsoleerd zal worden. De bacterie vormt verschillende virulentiefactoren waaronder het filamenteuze hemagglutinine (FHA), pili, pertactin, en verschillende toxines waaronder pertussistoxine. De gecombineerde effecten van de verschillende virulentiefactoren zijn onder andere ciliostase, beschadiging van de respiratoire mucosa en een lymfocytose. Bordetella parapertussis, een nauw verwante bacterie, is eveneens pathogeen voor de mens, zij het in mindere mate dan B. pertussis.

    Lees verder ›
  • Borrelia burgdorferi

    B. burgdorferi is een spirocheet die pathogeen is voor de mens. Naast de soort B. burgdorferi sensu stricto die vooral in de VS voorkomt, komen in Europa vooral de soorten B. garinii en B. afzelii voor. De bacterie kan gekweekt worden in vitro in een complex medium, maar de groeisnelheid is traag. Het genoom van de bacterie is klein (1,5 megabasen) en in tegenstelling tot dat van de meeste bacteriën lineair; tevens bevat de bacterie nog een groot aantal plasmiden.

    Lees verder ›
  • Botmerkers

    Botmerkers worden in het bloed en de urine gemeten om vast te stellen of het botmetabolisme met de normale snelheid plaatsvindt, waarbij een evenwicht tussen aanmaak en afbraak aanwezig hoort te zijn. Bij patiënten kan een schatting gemaakt worden van het risico op botbreuken en bij patiënten die behandeld worden vanwege skeletproblemen, bijvoorbeeld osteoporose, kan het effect van de therapie gevolgd worden.

    Lees verder ›
  • Botten

    Tezamen met de Schistosoma species behoren alle hier genoemde platwormsoorten tot de Trematoda (botten).

    Lees verder ›
  • Bronchuscarcinoom

    Bronchuscarcinomen zijn de meest voorkomende maligne longtumoren van epitheliale oorsprong. Longtumoren worden volgens de criteria van de Wereldgezondheidsorganisatie ingedeeld in kleincellige tumoren (14%) en niet-kleincellige tumoren (adenocarcinoom 37%, plaveiselcelcarcinoom 28%, grootcellig ongedifferentieerd carcinoom 16% en overige 4%).1,2

    Lees verder ›
  • Brucella abortus, Brucella melitensis, Brucella suis

    Brucella is een gramnegatieve, facultatief intracellulaire bacterie met bijzondere groei-eisen. In vitro groeit de bacterie langzaam en alleen in aanwezigheid van verhoogde CO2-concentratie.

    Lees verder ›
  • Buikpijn in de zwangerschap ICPC-2: W29; ICD-10: O26.8

    Bedoeld wordt buikpijn door andere oorzaken dan de normale weeënactiviteit. In deze probleemstelling wordt vooral de nadruk gelegd op complicaties van de zwangerschap en op aandoeningen die buikpijn kunnen veroorzaken, waarbij de zwangerschap mogelijk een oorzakelijke factor is.

    Lees verder ›
  • Burkholderia cepacia, Burkholderia pseudomallei

    Burkholderia is een gramnegatieve bacterie die vroeger in het genus Pseudomonas werd ingedeeld.

    Lees verder ›
  • C-peptide

    Evaluatie van de pancreas restfunctie en de bevestiging van overmaat aan exogeen insuline als oorzaak voor hypoglykemie.

    Lees verder ›
  • C-reactieve proteïne (CRP)

    Bepaling van C-reactieve proteïne (CRP) ter opsporing van infectie en vervolg van therapie.

    Lees verder ›
  • C1-esteraseremmer

    Opsporen en vaststellen van een C1-esteraseremmerdeficiëntie.

    Lees verder ›
  • CA 125

    Bepaling van CA 125 in het serum.

    Lees verder ›
  • CA 15.3

    Standaardinformatie bij aanvraag van laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie, leeftijd, geslacht); bovendien informatie aangaande eventueel voorgaande behandeling.

    Lees verder ›
  • CA 19.9

    Follow-up van gastro-intestinale tumoren.

    Lees verder ›
  • CDT (koolhydraatdeficiënt transferrine)

    Bepaling van CDT in serum bij de vraagstelling overmatige alcoholinname.

    Lees verder ›
  • CFTR-genotypering (cystische fibrose)

    Cystische fibrose (CF) is een autosomaal recessief overervende aandoening die veel voorkomt bij Kaukasiërs. Andere benamingen voor CF zijn pancreasfibrose, mucoviscidose of taaislijmziekte. In 1989 is het CFTR-gen geïdentificeerd. Het betreft een relatief groot gen met 27 exons en een lengte van 250 kb; de exonen coderen voor een eiwit van 1480 aminozuren. Er zijn zeer veel verschillende CF-mutaties die de ziekte kunnen veroorzaken (> 1900), op voorwaarde dat ze in tweevoud aanwezig zijn. Echter, wereldwijd zijn ongeveer 35 mutaties verantwoordelijk voor bijna alle gevallen van CF. Afhankelijk van de groep waartoe een specifieke mutatie behoort, is de epitheliale terugresorptie van chloride in de zweetafvoerbuis gestoord.

    Lees verder ›
  • Calcitonine in bloed (CT)

    Bepaling van calcitonine (CT), veelal in combinatie met een stimuleringstest.

    Lees verder ›
  • Calcium

    Vaststellen of uitsluiten van een ontregeling van de calciumhomeostase. Vervolgen van de behandeling van hyper- of hypocalciëmie.

    Lees verder ›
  • Calprotectine

    Onderscheid maken tussen inflammatoire darmaandoening (IBD) en prikkelbaredarmsyndroom (IBS) en follow-up van IBD.

    Lees verder ›
  • Campylobacter

    Campylobacter en nauw verwante soorten als Arcobacter zijn kommavormige, micro-aerofiele gramnegatieve bacteriën. De bacteriën zijn sterk beweeglijk en kunnen een filter met een poriegrootte van 0,45 μm passeren, een eigenschap waarvan gebruikgemaakt wordt bij de isolatie uit sterk verontreinigde materialen als feces. Oorspronkelijk waren vrijwel alle isolaten van C. jejuni gevoelig voor macroliden en fluorochinolonen; de resistentie tegen de laatste groep antibiotica is sterk toegenomen door het ruime gebruik van deze middelen in de veterinaire sector.

    Lees verder ›
  • Candida species

    Aantonen van Candida-soorten met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Cannabinoïden

    Onderzoek op gebruik van cannabis.

    Lees verder ›
  • Carcino-embryonaal antigeen in bloed (CEA)

    Carcino-embryonaal antigeenbepaling (CEA) in serum/plasma.

    Lees verder ›
  • Carnitine

    Meting van de concentratie carnitine wanneer gedacht wordt aan en storing in het metabolisme van vetzuren als oorzaak van een ziektebeeld.

    Lees verder ›
  • Caroteen (provitamine A)

    Aantonen en/of uitsluiten van (pro)vitamine A-deficiëntie.

    Lees verder ›
  • Carpaletunnelsyndroom ICPC-2: N93; ICD-10: G56.0

    Het carpale-tunnelsyndroom (CTS) bestaat uit symptomen, die het gevolg zijn van een compressie (entrapment) van de N. medianus in de carpale tunnel.

    Lees verder ›
  • Cataract/Staar ICPC-2: F92; ICD-10: H25;H26;/H28

    Een troebele ooglens wordt cataract of staar genoemd. Een troebele lens geeft een onscherp beeld op het netvlies en stoort het gezichtsvermogen. De meest voorkomende vorm is ouderdomscataract. Cataract kan ook aangeboren zijn of verworven, bijvoorbeeld na een trauma of ontsteking.

    Lees verder ›
  • Catecholaminen en metabolieten

    Aantonen van een verhoogde uitscheiding van catecholaminen en metabolieten.

    Lees verder ›
  • Cellen, in liquor

    Het bepalen van de concentratie van leukocyten en erytrocyten in liquor en het differentiëren van de leukocyten.

    Lees verder ›
  • Ceruloplasmine

    Uitsluiten of bevestigen van een ceruloplasminetekort, deels in aanvulling op de bepaling van koper.

    Lees verder ›
  • Chikungunyavirus

    Chikungunyavirus is een RNA-virus en hoort tot het genus α-virus en tot de familie van de togaviridae.

    Lees verder ›
  • Chlamydia trachomatis

    Chlamydia trachomatis is een obligaat intracellulaire bacterie. Groei op normale bacteriologische voedingsbodems is niet mogelijk; kweek is alleen mogelijk in celkweken. Van deze bacterie is een aantal verschillende serovars beschreven die onderling verschillen in hun pathogeen vermogen: serovar A tot en met C veroorzaken ooginfecties (trachoom), serovar D tot en met K zijn verantwoordelijk voor urogenitale infecties terwijl serovar L geassocieerd is met lymphogranuloma venereum.

    Lees verder ›
  • Chlamydophila pneumoniae

    Chlamydophila pneumoniae is een obligaat intracellulaire bacterie. Groei op normale bacteriologische voedingsbodems is niet mogelijk; kweek is alleen mogelijk in celkweken. Tot voor kort werd deze bacterie Chlamydia pneumoniae genoemd.

    Lees verder ›
  • Chlamydophila psittaci

    Chlamydophila psittaci, vroeger Chlamydia psittaci genaamd is, evenals de andere Chlamydiae, een obligaat intracellulaire bacterie. Groei op normale bacteriologische voedingsbodems is niet mogelijk; kweek is alleen mogelijk in celkweken.

    Lees verder ›
  • Chloride

    De toepassing van de chloride (Cl–-)bepaling ligt in de detectie en follow-up van hyper- en hypochloremie en in het bepalen van de anion gap in het geval van een metabole acidose.

    Lees verder ›
  • Acute cholecystitis ICPC-2: D98; ICD-10: K81

    Acute ontsteking van de wand van de galblaas.

    Lees verder ›
  • Cholesterol

    Bepalen van cholesterol in serum/plasma.

    Lees verder ›
  • Cholinesterase en pseudocholinesterase

    Er zijn verschillende enzymen die cholinesterase worden genoemd: acetylcholine-esterase en pseudocholinesterase. Acetylcholine-esterase is het enzym dat de afbraak van acetylcholine in de synapsspleet verzorgt.

    Lees verder ›
  • Chromogranine A

    Follow-up bij neuro-endocriene tumoren.

    Lees verder ›
  • Chronisch inflammatoire darmziekte ICPC-2: D94; ICD-10: K50;K51

    Colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn zijn de twee belangrijkste aandoeningen die worden gerekend tot de chronische inflammatoire darmziekten. Colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn vertonen verwantschap in hun klinische en morfologische presentatie, maar ze verschillen o.a. wat betreft anatomische lokalisatie, aanwezigheid van transmurale uitbreiding (Crohn) en perianale problemen (Crohn). Hoewel beide ziekten een eigen karakteristieke presentatie kunnen hebben, is het onderscheid in 10-20% van de gevallen niet mogelijk.1

    Lees verder ›
  • Chronische-vermoeidheidssyndroom ICPC-2: A04; ICD-10: G93.3

    Het chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) is een beschrijvende diagnose, een diagnose per exclusionem. CVS wordt gekenmerkt door onverklaarde, ten minste 6 maanden bestaande lichamelijke moeheid, die niet het resultaat is van voortdurende inspanning, niet aanzienlijk verbetert door rust en heeft geleid tot forse afname van vroegere niveaus van dagelijks functioneren.1 Naast moeheid kunnen allerlei andere symptomen aanwezig zijn, zoals spierpijn, concentratie- en geheugenproblemen, keelpijn, gevoelige lymfklieren, hoofdpijn, duizeligheid, slaapproblemen, maag-darmklachten en depressieve klachten.

    Lees verder ›
  • Cladosporium carionii, Fonsecaea pedrosoi, Fonsecaea compacta, Phialophora verrucosa, Exophiala jeanselmei

    Aantonen van verwekkers van onderhuidse mycosen met microscopie en kweek.

    Lees verder ›
  • Clostridium difficile

    Het aantonen van een actieve infectie met Clostridium difficile.

    Lees verder ›
  • Clusterhoofdpijn ICPC-2: N90; ICD-10: G44.0

    De indeling van verschillende typen primaire hoofdpijn, waaronder clusterhoofdpijn, is gewijzigd. Clusterhoofdpijn wordt beschouwd als een trigeminal autonomic cephalgia. Met die indeling worden de autonome verschijnselen die bij dit syndroom horen en de samenhang met verwante aandoeningen zoals de chronisch paroxysmale hemicrania gewaardeerd.

    Lees verder ›
  • Cocaïne

    Onderzoek op gebruik van cocaïne.

    Lees verder ›
  • Coccidioides species

    Aantonen van Coccidioides immitis (Californië) en/of Coccidioides posadasii (overige gebieden) met kweek, microscopie en serologie.

    Lees verder ›
  • Coeliakie ICPC-2: D99; ICD-10: K90.0

    Coeliakie is een aandoening van de dunne darm, waarbij gluten een reactie induceert, die leidt tot een T-cel gemedieerde ontstekingsreactie, crypthyperplasie en vlokatrofie, met als gevolg functieverlies. Gluten is een verzamelnaam voor eiwitten (waaronder gliadine) die voorkomen in de graansoorten tarwe, rogge en gerst.1

    Lees verder ›
  • Colloïd-osmotische druk (COD)

    Vaststellen van een verhoogde kans op (long)oedeem.

    Lees verder ›
  • Coma ICPC-2: A07; ICD-10: R40.2

    Toestand van verlaagd bewustzijn waaruit een patiënt, ondanks pijnprikkels, niet te wekken is.

    Lees verder ›
  • Complementactiviteit

    Het meten van de complementactiviteit om de betrokkenheid van het complementsysteem bij ziekte vast te stellen.

    Lees verder ›
  • Complementfactor C3d

    Het meten van de concentratie van C3d.

    Lees verder ›
  • Complementfactor C4

    Bepaling van de concentratie van C4 in serum.

    Lees verder ›
  • Coronavirus

    Coronavirussen zijn RNA-virussen behorend tot de familie van de coronaviridae. Voor de mens is een aantal typen pathogeen: human corona virus 229E, human corona virus NL63, human corona virus OC43 en SARS (severe acute respiratory syndrome)-coronavirus.

    Lees verder ›
  • Cortisol

    Bevestiging van verdenking op over- dan wel onderproductie van cortisol.

    Lees verder ›
  • Corynebacterium diphtheriae

    Corynebacterium diphtheriae is een aerobe, grampositieve staaf. Alleen stammen die met een bepaalde bacteriofaag zijn geïnfecteerd, produceren toxine en zijn pathogeen voor de mens. Binnen de soort wordt een drietal typen onderscheiden: Corynebacterium diphtheriae gravis, intermedius en mitis.

    Lees verder ›
  • Cotinine

    Het meten van cotinine in bloed of urine wordt toegepast om het nicotinegebruik van een persoon na te gaan.

    Lees verder ›
  • Coxiella burnetii is een obligaat intracellulaire, gramnegatieve bacterie, verwant aan de Rickettsiae en de Ehrlichiae. De bacterie kan gedurende lange tijd (maanden) persisteren in besmette materialen.

    Lees verder ›
  • Creatinekinase-iso-enzymen (CK)

    Deze test is lange tijd gebruikt voor de diagnostiek van het hartinfarct (inmiddels vervangen door troponine I of troponine T). Tevens kan de test gebruikt worden voor de diagnostiek van (onbegrepen) verhoogde CK-activiteiten in bloed. Echter, hiervoor kunnen ook andere parameters worden gebruikt: myoglobine (spierafbraak), troponine I/T (hartschade) en S100 (hersenschade). Met de introductie van de genoemde, nieuwe parameters is de bepaling van CK-iso-enzymen nauwelijks meer geïndiceerd.

    Lees verder ›
  • Creatinekinase (CK)

    Vaststellen/uitsluiten van spierschade of verhoogde spierafbraak.

    Lees verder ›
  • Creatinine

    Diagnose of vervolgen van renale insufficiëntie. Daarnaast kan creatinine in urine ook gebruikt worden ter controle van de 24 uursverzameling en om de concentratie van andere stoffen (eiwitten, medicatie) te corrigeren voor de verschillen in urineconcentratie (urineportie). Om de glomerulaire filtratiesnelheid (GFR) te kunnen schatten zonder gecompliceerd onderzoek, maakt men tegenwoordig met name gebruik van de MDRD-formule. De klaring kan worden geschat met de cockcroft-gaultformule.

    Lees verder ›
  • Cryoglobulinen

    Diagnostiek van cryoglobulinemie.

    Lees verder ›
  • Cryptococcus

    Aantonen van cryptokokken met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Cryptosporidium

    Cryptosporidium is een eencellige darmparasiet (Protozoa) behorende tot de coccidiën. Enkele jaren geleden is, op basis van epidemiologische en genetische gegevens, de voor de mens meest relevante soort Cryptosporidium parvum, geclassificeerd als zijnde twee afzonderlijke species, te weten Cryptosporidium parvum sensu stricto, met een zoönotische verspreiding, en Cryptosporidium hominis, die uitsluitend bij de mens wordt gezien.

    Lees verder ›
  • Cushing-syndroom ICPC-2: T99; ICD-10: E24

    Het syndroom van Cushing (hypercortisolisme) wordt klinisch gekenmerkt door een aantal symptomen die in wisselende combinaties kunnen voorkomen: centripetale obesitas, vollemaansgezicht, proximale spierzwakte, hypertensie, atrofie van de huid, spontane ecchymosen (huidbloedingen), striae, acne, hirsutisme, psychische veranderingen (depressie), oligo/amenorroe, impotentie, osteoporose en gestoorde glucosetolerantie, eventueel leidend tot een variant van type 2 diabetes mellitus. Het syndroom van Cushing moet worden onderscheiden van het pseudo-Cushingbeeld, waarbij overlappende klinische kenmerken kunnen bestaan.

    Lees verder ›
  • Cyclospora cayetanensis

    Cyclospora cayetanensis is een eencellige darmparasiet (Protozoa) behorende tot de coccidiën. Besmetting gebeurt veelal via slecht gewassen fruit en groente, maar Cyclospora kan ook via water overgedragen worden. Overdracht van mens op mens is niet mogelijk: het parasietstadium dat voor besmetting zorgt, moet minimaal twee weken in het milieu uitgerijpt zijn.

    Lees verder ›
  • Cystische fibrose ICPC-2: T99; ICD-10: E84

    Cystische fibrose (CF) is een autosomaal recessieve erfelijke aandoening waarbij het basisdefect bestaat uit disfunctie van het chloortransporteiwit CFTR. Daardoor is de normale chloorexcretie door epitheelcellen (en chloorabsorptie door zweetcellen) geblokkeerd. Dit leidt tot abnormaal viskeus secreet en obstructie van afvoergangen. De ziekte wordt gekarakteriseerd door recidiverende luchtweginfecties, exocriene pancreasinsufficiëntie met intestinale disfunctie, abnormale zweetklierfunctie en azoöspermie.

    Lees verder ›
  • Cytochemisch onderzoek

    Inzicht verwerven in de status van de hematopoëse in het beenmerg aan de hand van de celmorfologische karakteristieken en de verhoudingen tussen de diverse celtypen.

    Lees verder ›
  • Cytochroom P450 2C19 (CYP2C19)

    Genotypering voor CYP2C19 wordt uitgevoerd om de metabole capaciteit van patiënten voor geneesmiddelen die door dit enzym worden afgebroken in kaart te brengen. Dit kan voorafgaand aan therapie worden gedaan om een op genotype aangepaste dosering te geven, of achteraf om ineffectiviteit, danwel onverwachte bijwerkingen te verklaren.

    Lees verder ›
  • Cytochroom P450 2C9 (CYP2C9)

    Genotypering voor CYP2C9 wordt uitgevoerd om de metabole capaciteit van patiënten voor geneesmiddelen die door dit enzym worden afgebroken in kaart te brengen. Dit kan voorafgaand aan therapie worden gedaan om een op genotype aangepaste dosering te geven, of achteraf om ineffectiviteit, dan wel onverwachte bijwerkingen te verklaren.

    Lees verder ›
  • Cytochroom P450 2D6 (CYP2D6)

    Genotypering voor CYP2D6 wordt uitgevoerd om de metabole capaciteit van patiënten voor geneesmiddelen die door dit enzym worden afgebroken in kaart te brengen. Dit kan voorafgaand aan therapie worden gedaan om een op genotype aangepaste dosering te geven, of achteraf om ineffectiviteit, danwel onverwachte bijwerkingen te verklaren.

    Lees verder ›
  • Cytochroom P450 3A5 (CYP3A5)

    Genotypering voor CYP3A5 wordt uitgevoerd om de metabole capaciteit van patiënten voor geneesmiddelen die door dit enzym worden afgebroken in kaart te brengen. Dit kan voorafgaand aan therapie worden gedaan om een op genotype aangepaste dosering te geven, of achteraf om ineffectiviteit, danwel onverwachte bijwerkingen te verklaren.

    Lees verder ›
  • Cytomegalovirus (CMV)

    Cytomegalovirus is een humaan DNA-virus. Het is een β-herpesvirus en hoort tot de familie van de herpesviridae.

    Lees verder ›
  • D-dimeer

    Het aantonen van trombusvorming en/of afbraak van fibrine door plasmine.

    Lees verder ›
  • Darmhormonen

    Bepaling van de darmhormonen om hun invloed op het metabolisme en de regulering ervan na te gaan.

    Lees verder ›
  • Delier ICPC-2: P71; ICD-10: F05

    Een delier is een in korte tijd (uren tot enkele dagen) ontstane fluctuerende stoornis van bewustzijn en cognitie, in de regel het gevolg van een lichamelijke ontregeling.

    Lees verder ›
  • Dementie ICPC-2: P70; ICD-10: F03

    Dementie is een verworven klinisch syndroom, waarbij meervoudige cognitieve functiestoornissen centraal staan. Het betreft de aanwezigheid van minimaal 2 van de volgende stoornissen:

    Lees verder ›
  • Denguevirus

    Denguevirus is een RNA-virus en behoort tot de familie van de flaviviridae. Er bestaan vier verschillende typen.

    Lees verder ›
  • Depressie ICPC-2: P76; ICD-10: F32; F33; F34.1; F34.8; F34.9; F38; F39; F41.2; F53.0

    Een depressieve stoornis is een klinisch syndroom dat 1 of meerdere depressieve episodes omvat. Gedurende een depressieve episode staat een sombere stemming of verlies van interesse of plezier in activiteiten die daarvoor als plezierig ervaren werden centraal en kunnen daarnaast de volgende symptomen voorkomen:1

    Lees verder ›
  • Dermatofyten

    Aantonen van schimmelinfectie van huid, haar en nagel.

    Lees verder ›
  • Dermatomycosen ICPC-2: S74; ICD-10: B36

    Een dermatomycose is een huidinfectie door schimmels (vrijwel altijd dermatofyten) of gisten. Infecties veroorzaakt door dermatofyten worden ook wel tinea-infecties genoemd. Dit benoemen gebeurt aan de hand van de lichaamslokalisatie. Bijvoorbeeld: tinea capitis (behaarde hoofd), tinea corporis (lichaam), tinea pedis (voetzool). De infectie kan beperkt blijven tot de oppervlakkige lagen van de huid (frequentst). Bij een diepe mycose breidt de infectie zich uit naar de haarfollikels of dieper.

    Lees verder ›
  • Dexamethasonremmingstest

    Dexamethasonremmingstests worden gebruikt in de (differentiaal)diagnostiek naar het syndroom van Cushing.

    Lees verder ›
  • Diabetes mellitus ICPC-2: T89;T90; ICD-10: E10;E11;E12;E13;E14

    Diabetes mellitus wordt gekenmerkt door verhoogde bloedglucosewaarden en een verhoogde kans op ontstaan van complicaties van ogen, zenuwen, nieren, hart en bloedvaten. Bij diabetes mellitus type 2 is er tevens vaak sprake van hypertensie, vetstofwisselingsstoornissen en andere metabole veranderingen samenhangend met insulineresistentie die tezamen de atherosclerose versnellen en het risico van hart- en vaatziekten aanzienlijk verhogen.

    Lees verder ›
  • Diabetische voet ICPC-2: T90;T89; ICD-10: E14.5

    Het begrip diabetische voet omvat een verscheidenheid van afwijkingen aan de voeten, die alleen of in combinatie vaker voorkomen bij patiënten met diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Diarree bij terugkeer uit de tropen ICPC-2: D99; ICD-10: K90.1

    Diarree is een symptoom dat bij talrijke gastro-intestinale ziekten aanwezig is, soms ook bij ziekten die niet van gastro-intestinale aard zijn. Diarree wordt gedefinieerd als 3 of meer dunvloeibare of ongevormde ontlastingen per dag, met een gewicht van meer dan 200 g feces per dag bij kinderen en volwassenen, of meer dan 10 g feces per kg lichaamsgewicht per dag bij kleine kinderen.1

    Lees verder ›
  • Acute diarree ICPC-2: D11;D70;D73; ICD-10: A00 t/m A09

    Diarree is een symptoom dat bij talrijke gastro-intestinale ziekten aanwezig is, soms ook bij ziekten die niet van gastro-intestinale aard zijn. Diarree wordt gedefinieerd als 3 of meer dunvloeibare of ongevormde ontlastingen per dag, met een gewicht van meer dan 200 g feces per dag bij kinderen en volwassenen, of meer dan 10 g feces per kg lichaamsgewicht per dag bij kleine kinderen.1 Acute diarree duurt maximaal 14 dagen.1,2

    Lees verder ›
  • Chronische diarree ICPC-2: D11; ICD-10: K52.9

    Diarree is een symptoom dat bij talrijke gastro-intestinale ziekten aanwezig is, soms ook bij ziekten die niet van gastro-intestinale aard zijn. Diarree wordt gedefinieerd als 3 of meer dunvloeibare of ongevormde ontlastingen per dag, met een gewicht van meer dan 200 g feces per dag bij kinderen en volwassenen, of meer dan 10 g feces per kg lichaamsgewicht per dag bij kleine kinderen.1 Na 2 tot 4 weken spreekt men van chronische diarree.1,2

    Lees verder ›
  • Dientamoeba fragilis

    Dientamoeba fragilis is een eencellige darmparasiet (Protozoa) behorende tot de flagellaten.

    Lees verder ›
  • Diepveneuze trombose ICPC-2: K94; ICD-10: I80.2

    Diepveneuze trombose (DVT) is een partiële of gehele afsluiting van de diepe, tussen de spieren gelegen, veneuze vaten van het been/bekken door een thrombus. DVT is de belangrijkste manifestatie van veneuze trombose, met longembolie als complicatie.1

    Lees verder ›
  • Differentiële telling van bloedcellen

    Het bepalen van de concentraties van de verschillende typen leukocyten, erytrocyten en trombocyten in bloed en het kwalitatief beoordelen van bloedcellen in een uitstrijkpreparaat.

    Lees verder ›
  • Dihydropyrimidinedehydrogenase (DPD)

    Bepalen van de (over)gevoeligheid voor 5-fluorouracil (5-FU) en capecitabine (prodrug van 5-FU).

    Lees verder ›
  • Diverticulitis coli ICPC-2: D92; ICD-10: K57

    Een colondivertikel is een uitstulping van de (sub)mucosa door de spierwand. Bij congenitale divertikels is er uitstulping van alle lagen van de darmwand, bij verworven divertikels alleen van de mucosa. Wanneer ter plaatse een ontsteking is, wordt gesproken van diverticulitis.

    Lees verder ›
  • Dorst en polyurie ICPC-2: T01;U02; ICD-10: R63.1;R35

    Van polyurie wordt veelal gesproken bij een urineproductie > 3 l/24 uur.1

    Lees verder ›
  • Downsyndroom ICPC-2: A90; ICD-10: Q90

    Het syndroom van Down is een chromosomale afwijking die wordt gekenmerkt door typische dysmorfieën, verstandelijke handicap en verhoogde kans op aangeboren en verworven afwijkingen.

    Lees verder ›
  • Dracunculus medinensis

    Dracunculus medinensis is een aan de filariën verwante rondworm (Nematoda). Infectie vindt plaats door het oraal binnenkrijgen van geïnfecteerde watervlooien die de infectieuze larven bij zich dragen. Uit de larven ontwikkelen zich de volwassen wormen, waarbij de vrouwelijke worm 70-120 cm lang kan worden. Deze bevindt zich in het subcutane weefsel, veelal van het been. Ongeveer een jaar na infectie ontstaat bij het caudale einde van de vrouwelijke worm een pijnlijke blaar op de huid. Vanuit het ulcus dat hieruit voortkomt worden de microfilaria uitgescheiden. Deze dienen weer in water met de specifieke watervlooien terecht te komen om de infectiecyclus rond te maken.

    Lees verder ›
  • Duizeligheid ICPC-2: N17; ICD-10: R42

    Duizeligheid is een onaangename sensatie van bewegingspatronen die in werkelijkheid niet bestaan; het is een verzamelnaam voor uiteenlopende vormen van onvast-zijn, zoals draaiduizeligheid, zweverigheid, licht gevoel in het hoofd en balansstoornis. Draaiduizeligheid of vertigo is de illusie van het ondergaan van een draaibeweging.

    Lees verder ›
  • Niet-traumatische dwarslaesie

    Een zich ontwikkelende dwarslaesie is een progressief beeld, waarbij de functionele continuïteit van het ruggenmerg wordt bedreigd. Klachten en verschijnselen die hierop kunnen wijzen zijn: pijn (lokaal in de rug of radiculair van aard), gevoelsstoornissen, loopstoornissen, spierzwakte/pareses, ontremde peesreflexen, pathologische reflexen, blaasfunctiestoornissen (neurogene blaas) en darmfunctiestoornissen.

    Lees verder ›
  • Dysfagie ICPC-2: D21; ICD-10: R13

    Dysfagie kan worden omschreven als het gevoel dat vast of vloeibaar voedsel blijft hangen of wordt gehinderd bij passage door de mond, farynx of oesofagus naar de maag.1 Er kan onderscheid worden gemaakt in orofaryngeale (of hoge) dysfagie (slik- en verslikklachten) en oesofageale (of lage) dysfagie (slokdarmpassageklachten). Wanneer een of andere vreemde sensatie in de keel of achter het borstbeen niet in relatie staat met slikbewegingen, er juist door verdwijnt of langer dan 15 seconden na het slikken ontstaat, dan is er geen sprake van dysfagie.2

    Lees verder ›
  • Dysmenorroe ICPC-2: X02; ICD-10: N94.4;N94.5

    Dysmenorroe is een koliekachtige pijn onder in de buik, die onmiddellijk voor en/of tijdens de menstruatie optreedt en vaak gepaard gaat met continue doffe vaagbegrensde pijn in de rug en algemene klachten als misselijkheid, hoofdpijn en diarree.

    Lees verder ›
  • Dyspepsie ICPC-2: D07; ICD-10: K30

    Onder dyspepsie (vaak maagklachten/bovenbuikklachten genoemd) wordt hier verstaan: niet-acute pijn of onbehaaglijk gevoel in de bovenbuik, zuurbranden, al dan niet in combinatie met misselijkheid en/of een opgeblazen gevoel en/of een snel intredend gevoel van verzadiging, voorzover deze klachten hun (vermoedelijke) oorsprong hebben in het onderste deel van de slokdarm, in de maag of in het duodenum.1

    Lees verder ›
  • Ebolavirus, marburgvirus, lassavirus

    Ebolavirus, marburgvirus en lassavirus zijn RNA-virussen. Ebolavirus en marburgvirus behoren tot een apart genus binnen de familie van de filoviridae, lassavirus is een arenavirus.

    Lees verder ›
  • Echinococcus species

    Echinococcus is een platworm (Platyhelminthes) behorende tot de groep van lintwormen (Cestoda). Echinokokkose is een zoönose. De meeste humane infecties worden veroorzaakt door Echinococcus granulosus waarbij de hond de voornaamste eindgastheer is en het schaap de belangrijkste tussengastheer. De andere voor de mens belangrijke soort is E. multilocularis, waarbij de vos de voornaamste eindgastheer is.

    Lees verder ›
  • Eczeem ICPC-2: S86;S87:S88; ICD-10: L20;L21;L23;L24;L25;L27;L30

    Eczeem is een jeukende, niet besmettelijke huidaandoening, waarbij in het verloop roodheid, papels, vesikels, schilfering, vochtafscheidende plekken, korsten, kloven en lichenificatie kunnen ontstaan. Er zijn verschillende vormen van eczeem te onderscheiden op grond van pathogenese (bijvoorbeeld atopisch of constitutioneel eczeem, contacteczeem, fotoallergisch eczeem) of morfologie (bijvoorbeeld seborroïsch eczeem, dyshidrotisch, nummulair eczeem).

    Lees verder ›
  • Eiwitspectrum, liquor

    Aantonen van intracerebrale IgG-synthese.

    Lees verder ›
  • Eiwitspectrum, urine

    Evaluatie van van de verdeling van eiwitcomponenten in urine.

    Lees verder ›
  • Ejaculatiestoornissen ICPC-2: P08; ICD-10: F52

    Ejaculatiestoornissen zijn stoornissen in de zaadlozing.

    Lees verder ›
  • Endometriosis externa ICPC-2: X99; ICD-10: N80

    Endometriosis externa is een aandoening die wordt veroorzaakt door functionerend endometrium dat buiten de uterus (m.n. in het kleine bekken) is gelegen en een chronische ontsteking veroorzaakt. Het komt met name voor bij vrouwen in de fertiele levensfase en in alle etnische bevolkingsgroepen.

    Lees verder ›
  • Enkelbandletsel ICPC-2: L77; ICD-10: S93.4

    Een verzwikking van de enkel kan leiden tot een traumatische beschadiging van 1 of meerdere enkelbanden/ligamenten; bij een enkeldistorsie is het kapselbandapparaat intact (hooguit opgerekt), bij een enkelbandruptuur is het kapselbandapparaat gescheurd.

    Lees verder ›
  • Entamoeba

    Amoeben zijn eencellige parasieten (Protozoa) die normaal gesproken in de darm leven. Amoebiasis wordt veroorzaakt door Entamoeba histolytica. Daarnaast bestaan er nog verscheidene niet-pathogene amoebensoorten, zowel behorende tot het geslacht Entamoeba (o.a. E. dispar, E. coli, E. hartmanni) als de soorten Endolimax nana en Iodamoeba Bütschlii. De (kleine vegetatieve) amoeben leven in de dikke darm. Zij voeden zich daar onder andere met bacteriën en vermenigvuldigen zich door deling. Een gedeelte van de amoeben rondt zich af en vormen een stevige wand. Deze cysten worden met de ontlasting uitgescheiden en zijn direct infectieus. Bij E. histolytica kunnen de vegetatieve amoeben zich ook ontwikkelen tot grote invasieve amoeben. Deze voeden zich met bloed en weefsel en beschadigen de mucosa en submucosa van de dikke darm waarbij kleine bloedende laesies ontstaan. Hierdoor komt er bloed bij de ontlasting (dysenterie). Het is ook mogelijk dat de grote invasieve amoeben door de darmwand de bloedcirculatie bereiken en in organen, veelal de lever, terechtkomen. Hier kunnen ze een karakteristiek abces vormen. De meeste gevallen van een amoebenabces zullen binnen de eerste 3-6 maanden na terugkomst uit een endemisch (sub)tropengebied gevonden worden. Maar men dient er op bedacht te blijven bij iedereen die ooit in een dergelijk gebied geweest is.

    Lees verder ›
  • Enterobius vermicularis

    Enterobius vermicularis (oude naam: Oxyuris) behoort tot de groep van de rondwormen (Nematoda).

    Lees verder ›
  • Enterovirus, parechovirus

    Onder enterovirussen gaat een flinke heterogene groep virussen schuil. Het zijn allemaal RNA-virussen en ze heten ECHO-virussen, coxsackie A- en B-virussen, poliovirussen en humaan enterovirussen 68-71. Ze behoren tot de familie van de picornaviridae. Parechovirussen zijn verwant aan de enterovirussen. Parechovirus type 1 en 2 heetten voorheen ECHO-virus 22 respectievelijk 23. Inmiddels zijn er zes parechovirustypen beschreven.

    Lees verder ›
  • Enuresis/urine-incontinentie bij kinderen ICPC-2: P12; ICD-10: F98

    Van enuresis spreekt men als bij een kind van een leeftijd waarop blaascontrole kan worden verwacht, complete blaaslediging plaatsvindt volgens het normale mictiepatroon, maar op een verkeerd moment of op een verkeerde plaats (1,2). Alle andere vormen van ongewenst urineverlies worden incontinentie genoemd.1,2

    Lees verder ›
  • Eosinofiele granulocyten

    Het bepalen van de concentratie van eosinofiele granulocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Epicondylitis ICPC-2: L93; ICD-10: M77.0;M77.1

    Epicondylitis lateralis en medialis worden gekenmerkt door pijn op of rond de epicondylus lateralis resp. medialis humeri. De pijn treedt op of verergert door bewegingen van de pols, het aanspannen van de polsextensoren/-flexoren en door palpatie van (het gebied rond) de betreffende epicondylus. Epicondylitis lateralis staat ook bekend als tenniselleboog; epicondylitis medialis als golferselleboog.

    Lees verder ›
  • Epilepsie ICPC-2: N88; ICD-10: G40

    Epilepsie wordt gekenmerkt door het herhaald optreden van epileptische aanvallen. Dat zijn aanvallen van gedragsverandering of sensaties die het gevolg zijn van excessieve ontladingen van (populaties van) neuronen in de hersenen.

    Lees verder ›
  • Epstein-barrvirus

    Epstein-barrvirus is het humaan herpesvirus type 4 (HHV-4), een DNA-virus, en hoort tot de familie van de herpesviridae.

    Lees verder ›
  • Erectiestoornissen ICPC-2: P08; ICD-10: F52.2

    Erectiele disfunctie is gedefinieerd als een voortdurend of terugkerend onvermogen een erectie te krijgen of vol te houden tot de voltooiing van de seksuele activiteit (in afwezigheid van een voortijdige zaadlozing).

    Lees verder ›
  • Erysipelothrix rhusiopathiae

    Erysipelothrix rhusiopathiae is een dunne grampositieve staafvormige bacterie.

    Lees verder ›
  • Erythema nodosum ICPC-2: S99; ICD-10: L52

    Erythema nodosum is een acute ontstekingsreactie van de subcutis, gekenmerkt door het ontstaan van pijnlijke subcutane nodi, die vooral op de voorzijde van de onderbenen zijn gelokaliseerd. Deze reactie verdwijnt meestal na 3-6 weken zonder atrofie en verlittekening. De huidafwijkingen zijn rood, weinig scherp begrensd, licht verheven, warm en pijnlijk en hebben een doorsnede van 1-3 cm. In de loop der tijd treedt een kenmerkende blauwe verkleuring op (contusieform erytheem).

    Lees verder ›
  • Erytrocyten

    Het bepalen van de concentratie van erytrocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Erytropoëtine

    Bepalen van de hoeveelheid circulerend erytropoëtine (EPO) in bloed.

    Lees verder ›
  • Escherichia coli

    Escherichia coli is een gramnegatieve bacterie uit de familie van de Enterobacteriaceae. Er bestaat een grote variatie binnen deze soort en de pathogeniciteit wordt bepaald door de aanwezigheid van specifieke virulentiefactoren als aanhechtingsfactoren en productie van diverse toxines. E. coli is ook in staat om verschillende antibioticaresistentiegenen uit te wisselen met andere Enterobactereacea door middel van plasmiden (kleine, circulaire stukken DNA).

    Lees verder ›
  • Extra-uteriene graviditeit ICPC-2: W80; ICD-10: O00

    Extra-uteriene graviditeit (EUG, ectopische zwangerschap) is een zwangerschap waarbij de nidatie buiten de baarmoeder plaatsvindt. De lokalisatie van een EUG is vrijwel altijd de tuba (99%), andere mogelijkheden zijn het ovarium, cavum Douglasi, darm, omentum, lever, milt en (zelden) intraligamentair, de pars interstitialis tubae of in het cervicaalkanaal. Bij het gelijktijdig bestaan van een intra- en een extra-uteriene zwangerschap, spreekt men van een heterotope graviditeit (1: 15.000 zwangerschappen).

    Lees verder ›
  • Facialisverlamming ICPC-2: N91; ICD-10: G51

    Facialisverlamming is het symptomencomplex dat ontstaat door een afwijking in het facialistraject met als kenmerkend verschijnsel een, meestal unilaterale, verlamming van de mimische musculatuur.

    Lees verder ›
  • Factor-II-mutatie

    Onderzoek naar familiaire trombofilie.

    Lees verder ›
  • Factor-V-Leidenmutatie

    Onderzoek naar familiaire trombofilie.

    Lees verder ›
  • Feochromocytoom ICPC-2: T99; ICD-10: E27.5

    Feochromocytoom is een zeldzame catecholamineproducerende tumor (incidentie: circa 70 Nederlanders per jaar) uitgaande van het bijniermerg (adrenaal, 90%) of van extra-adrenale locaties (10%).1 Het ziektebeeld presenteert zich met hypertensie (50% aanvalsgewijs) en andere symptomen van een abrupte of chronische overmaat aan catecholaminen: hoofdpijn, palpitaties, overmatig zweten of gewichtsverlies.

    Lees verder ›
  • Ferritine

    Diagnostiek en monitoring van ijzergebrek en ijzerstapeling.

    Lees verder ›
  • Fibrinogeen

    Vaststellen van verlaagd of verhoogd fibrinogeengehalte.

    Lees verder ›
  • Fibromyalgie ICPC-2: L18; ICD-10: M79

    Men spreekt soms van fibromyalgie in het kader van een chronisch idiopathisch pijnsyndroom dat wordt gekenmerkt door ten minste 3 maanden bestaande chronische pijn in verscheidene gebieden van het houdings- en bewegingsapparaat. De pijn moet wijdverspreid over het hele lichaam voorkomen en is in het algemeen continu, diep en schrijnend van aard met diffuse uitstraling.

    Lees verder ›
  • Filaria

    Filariën zijn rondwormen (Nematoda) die een bloed- of weefselinfectie veroorzaken en via vliegen of muggen worden overgebracht. Van de honderden Filaria-soorten die bekend zijn, zijn er acht die een natuurlijke infectie bij de mens kunnen veroorzaken. Andere Filaria-soorten, zoals Dirofilaria, komen gewoonlijk voor bij zoogdieren (zoals honden), maar kunnen incidenteel bij de mens tot een (incomplete) infectie leiden.

    Lees verder ›
  • Fluor vaginalis ICPC-2: X14; ICD-10: N89.8

    De normale vaginale flora van vrouwen in de reproductieve leeftijd bestaat uit een complex mengsel van bacteriën. Lactobacillen vormen een belangrijk bestanddeel van deze flora; daarnaast worden bij asymptomatische vrouwen ook relatief vaak coagulasenegatieve stafylokokken en vergroenende streptokokken gevonden. Ook Staphylococcus aureus, Streptococcus agalactiae (groep-B-streptokok) en gisten in geringe aantallen kunnen deel uitmaken van de normale vaginale flora. Gardnerella vaginalis, Mycoplasma hominis, Ureaplasma urealyticum en gisten worden eveneens bij een aanzienlijk percentage vrouwen zonder klachten gevonden. In de prepuberale flora ontbreken meestal de lactobacillen.

    Lees verder ›
  • Follikelstimulerend hormoon (FSH), werking van FSH en LH

    Bepaling van follikelstimulerend hormoon (FSH) en luteïniserend hormoon (LH), basaal dan wel na stimulering met LHRH, dient ter evaluatie van het functioneren van de hypothalamus-hypofyse-gonadenas en functie van de gonaden.

    Lees verder ›
  • Fosfaat

    Bepalen van hyper/hypofosfatemie en van hyper/hypofosfaturie.

    Lees verder ›
  • Francisella tularensis

    Francisella tularensis is een kleine, aerobe, traag groeiende pleiomorfe gramnegatieve bacterie. Binnen de soort zijn vier subspecies beschreven, waarvan F. tularensis subspecies tularensis (type A) en de minder virulente F. tularensis subspecies holarctica (type B) het meest worden geïdentificeerd bij de mens. De bacteriën groeien erg langzaam en de groei wordt pas na enkele dagen zichtbaar. F. tularensis wordt beschouwd als en potentieel bioterroristisch agens.

    Lees verder ›
  • Fructose

    Bepaling van fructose in serum en/of urine.

    Lees verder ›
  • Galactosetolerantietest

    Het doel van de test is vast te stellen of de patiënt een toegediende hoeveelheid galactose snel kan verwerken. Wanneer in de lever een van de enzymen ontbreekt die galactose kan verwerken, stapelt een metaboliet zich in het bloed. Dit kan leiden tot schade aan lever en nieren en de ooglens. Wanneer galactose slecht wordt verwerkt, spreekt men van galactosemie.

    Lees verder ›
  • Galsteenlijden ICPC-2: D98; ICD-10: K80

    Galstenen ontstaan door neerslag en aangroei van galbestanddelen. Er kan een onderverdeling worden gemaakt in cholesterolstenen (voor meer dan 50% bestaande uit cholesterol), gemengde stenen (20-50% cholesterol) en pigmentstenen (hoofdzakelijk bilirubinebevattende stenen, minder dan 20% cholesterol).1

    Lees verder ›
  • Galzuren in feces

    Bepaling van galzuren in feces, plasma/serum als gevoelige merker voor leveraandoeningen en stoornissen in het galzuurmetabolisme. De termen galzuren en galzouten van galzuren worden door elkaar gebruikt.

    Lees verder ›
  • Galzuren in plasma/serum

    Bepaling van galzuren in plasma/serum als gevoelige merker voor leveraandoeningen en stoornissen in het galzuurmetabolisme.

    Lees verder ›
  • Gastrine

    Meting van verhoogde of verlaagde gastrineproductie.

    Lees verder ›
  • voortijdig Gebroken vliezen ICPC-2: W92; ICD-10: O42

    Bij voortijdig gebroken vliezen loopt vruchtwater af zonder regelmatige uteruscontracties. In de Engelstalige literatuur spreekt men van prelabour rupture of the membranes (PROM).1

    Lees verder ›
  • Gewrichtsvloeistofonderzoek

    Onderzoek van gewrichtsvloeistof bij gezwollen en/of ontstoken gewrichten.

    Lees verder ›
  • Ghreline

    Bepaling van het hormoon dat een rol speelt bij de werking van het groeihormoon en de regulering van het metabolisme.

    Lees verder ›
  • Giardia lamblia

    Giardiasis wordt veroorzaakt door de eencellige darmparasiet (Protozoon) Giardia lamblia, die ook wel Giardia intestinalis of Giardia duodenalis wordt genoemd.

    Lees verder ›
  • Glaucoom ICPC-2: F93; ICD-10: H40

    Glaucoom omvat een groep aandoeningen waarin een optico-neuropathie die gepaard gaat met verlies van zenuwvezels centraal staat. De oogdruk speelt hierin een belangrijke rol en wordt als belangrijkste risicofactor gezien. Verlies van zenuwvezels leidt tot afname van het gezichtsveld en kan uiteindelijk tot blindheid leiden. Vroege opsporing van glaucoom en een tijdige adequate behandeling kunnen schade aan de oogzenuw beperken.

    Lees verder ›
  • Glucagon

    Bepaling van glucagon ter bevestiging van de diagnose glucagonoom.

    Lees verder ›
  • Glucose-6-fosfaatdehydrogenase in erytrocyten (G6PD)

    Het meten van de activiteit van glucose-6-fosfaatdehydrogenase in erytrocyten.

    Lees verder ›
  • Glucose

    Toepassing van de glucosebepaling ligt in de detectie en follow-up van patiënten met verdenking op of bekend met diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Glucosetolerantietest (GTT)

    De toepassing van de (orale) glucosetolerantietest (GTT) ligt uitsluitend in de bevestiging of uitsluiting van gestoorde glucosetolerantie en/of zwangerschapsdiabetes, indien de diagnostiek met alleen de glucosebepaling geen uitkomst biedt. Het belang van een GTT voor de diagnose diabetes mellitus is in de klinische praktijk zeer beperkt en gezien de huidige opvattingen obsoleet geworden.

    Lees verder ›
  • Glutamaatdehydrogenase

    Aantonen van hyperactiviteit van het glutamaatdehydrogenase ten behoeve van het stellen van de diagnose HIHA (hyperinsulinisme-hyperammoniëmie)-syndroom.

    Lees verder ›
  • Glutathionreductase in erytrocyten (GR)

    Het meten van de activiteit van glutathionreductase in erytrocyten, meestal als referentie voor de interpretatie van andere erytrocytaire enzymen.

    Lees verder ›
  • Grampreparaat

    De gramkleuring is de meest gebruikte kleurmethode voor microbiologisch onderzoek en wordt zowel gebruikt voor kleuring van klinische materialen (urine, sputum, liquor, punctaten enz.) alsook als eerste stap bij het onderzoek van gekweekte micro-organismen.

    Lees verder ›
  • Groeistoornissen bij kinderen: te groot ICPC-2: T99; ICD-10: R62.8

    Men spreekt van te grote lichaamslengte bij een lengte die meer dan 2 standaarddeviaties (SD) verschilt van de gemiddelde lengte voor leeftijd en geslacht in een bepaalde populatie [de standaarddeviatiescore (SDS) van de lengte is dan > +2,0]. Dit komt ongeveer overeen met een lengte boven het 98e percentiel (> P97,7).

    Lees verder ›
  • Groeistoornissen bij kinderen: te klein ICPC-2: T10; ICD-10: E34.3

    Kleine lichaamslengte is een relatief begrip. Internationaal wordt als definitie gewoonlijk aangehouden een lengte die meer dan 2,0 standaarddeviaties (SD) lager is dan de gemiddelde lengte voor leeftijd en geslacht in de populatie, oftewel een standaarddeviatiescore (SDS) voor de lengte van < -2. Dit komt ongeveer overeen met een lengte beneden het 2e percentiel (< P2,3).

    Lees verder ›
  • Guillain-Barré-syndroom ICPC-2: N94; ICD-10: G61.0

    Het Guillain-Barrésyndroom (GBS) is een acuut (binnen 4 weken is het maximum bereikt) optredende opstijgende polyradiculoneuropathie leidend tot in omvang wisselende functiestoornissen van motorische, sensorische en autonome zenuwen gevolgd door geheel of gedeeltelijk herstel.

    Lees verder ›
  • Gynaecomastie ICPC-2: Y16; ICD-10: N62

    Gynaecomastie is hyperplasie van het borstklierweefsel in een of beide borsten bij mannen. Vetdepositie zonder eigenlijke kliervergroting noemt men wel pseudogynaecomastie. Fysiologische gynaecomastie komt voor bij de pasgeborene, in de puberteit (puberteitsgynaecomastie) en bij oudere mannen (> 65 jaar).

    Lees verder ›
  • HACEK-groep bacteriën

    De HACEK-groep bacteriën is een verzameling bacteriesoorten uit de mond-keelholte met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze endocarditis kunnen veroorzaken. Het zijn kleine gramnegatieve bacteriën die voor hun groei afhankelijk zijn van een verhoogde CO2-concentratie. De soorten groeien langzaam op de standaardvoedingsbodems als bloed- of chocoladeagar (48-72 uur). In 2006 is Haemophilus aphrophilus samen met Actinobacillus species ingedeeld in een nieuw genus Aggregatibacter.

    Lees verder ›
  • HFE-genotypering

    Hereditaire hemochromatose (HH) is een autosomaal recessief overervende aandoening, waarbij ijzerstapeling kan optreden in verschillende organen als gevolg van toegenomen intestinale ijzeropname. Er zijn verschillende vormen van HH bekend. Oorzaken van HH zijn bijna altijd gelegen in erfelijke afwijkingen van bepaalde eiwitten waardoor er in de lever te weinig van het peptide hormoon hepcidine wordt aangemaakt en aan de bloedbaan afgegeven. In 1996 werd het eerste HH-veroorzakende gen geïdentificeerd: het HFE-gen. Dit gen ligt op de korte arm van chromosoom 6, bestaat uit 7 exonen en beslaat ongeveer 12 kb aan genomisch DNA. Het product van het HFE-gen is het membraangebonden HFE-eiwit dat analoog is aan de HLA-klasse-I-antigenen.

    Lees verder ›
  • HLA-B*5701-genotypering

    Genotypering voor HLA-B*5701 wordt uitgevoerd om het risico op ernstige huidreacties/hypersensitiviteit op abacavir te voorspellen.

    Lees verder ›
  • HLA-DQ2 en -DQ8-typering

    Vaststellen van het aangeboren risico om coeliakie te ontwikkelen.

    Lees verder ›
  • HLA-antistofscreening

    Testen of een patiënt antistoffen heeft gemaakt tegen vreemde HLA-klasse I- of HLA-klasse II-antigenen.

    Lees verder ›
  • HLA-klasse I-typering: moleculairbiologisch

    Het bepalen van de HLA-A-, -B- en -C-allelen van een patiënt of donor.

    Lees verder ›
  • HLA-klasse I-typering: serologisch

    Het bepalen van de HLA-A-, -B-, -C-antigenen van een patiënt of donor.

    Lees verder ›
  • HLA-klasse II-typering: moleculairbiologisch

    Het bepalen van de HLA-DR- en HLA-DQ-allelen van een patiënt of donor.

    Lees verder ›
  • Haematemesis ICPC-2: D14; ICD-10: K92.0

    Bloedbraken (van helderrood tot donkerbruin).

    Lees verder ›
  • Haemophilus ducreyi

    Haemophilus ducreyi is een gramnegatieve bacterie; kenmerkend voor de bacteriën uit het genus Haemophilus is dat ze voor hun groei ten minste een van de volgende groeifactoren nodig hebben: X-factor (haemverbindingen) of V-factor (NAD). Bij de mens komen negen Haemophilus-soorten voor. H. ducreyi is een daarvan en verwekker van de seksueel overdraagbare aandoening ulcus molle.

    Lees verder ›
  • Haemophilus influenzae

    Haemophilus influenzae is een gramnegatieve bacterie; kenmerkend voor de bacteriën uit het genus Haemophilus is dat ze voor hun groei ten minste een van de volgende groeifactoren nodig hebben: X-factor (haemverbindingen) en V-factor (NAD). Bij de mens komen negen Haemophilus-soorten voor. H. influenzae is de meest geïsoleerde soort uit klinische materialen. Sommige H. influenzae-stammen bezitten een polysacharidekapsel; stammen met kapseltype B vertonen een verhoogde virulentie voor de mens.

    Lees verder ›
  • Haemoptoe ICPC-2: R24; ICD-10: R04.2

    Haemoptoe is het ophoesten van helderrood bloed uit de tractus respiratorius distaal van de stembanden.

    Lees verder ›
  • Hantavirus

    Hantavirus en puumulavirus zijn RNA-virussen en horen tot het genus hantavirus, familie van de bunyaviridae.

    Lees verder ›
  • Haptoglobine

    Bepalen van haptoglobineconcentratie in serum of plasma bij verdenking op intravasale hemolyse.

    Lees verder ›
  • Hartfalen ICPC-2: K77; ICD-10: I50

    De diagnose hartfalen berust op drie pijlers: symptomen passend bij hartfalen, bevindingen bij lichamelijk onderzoek passend bij hartfalen, en objectief bewijs voor een structurele of functionele afwijking van het hart in rust.1

    Lees verder ›
  • Hartgeruis bij kinderen ICPC-2: K81; ICD-10: R01.1

    Onder hartgeruis wordt verstaan een van de harttonen te onderscheiden geruis dat kan ontstaan bij een hartafwijking, bij een gezond hart en onder bepaalde abnormale omstandigheden, zoals anemie. Deze bespreking beperkt zich tot kinderen jonger dan 15 jaar.

    Lees verder ›
  • Hartgeruis bij volwassenen ICPC-2: K81; ICD-10: R01.1

    Onder hartgeruis wordt verstaan een – van de harttonen te onderscheiden – geluid, dat wordt geproduceerd bij een hart met een vitium of bij een gezond hart, bijvoorbeeld onder abnormale omstandigheden (anemie, koorts).

    Lees verder ›
  • Hartkloppingen ICPC-2: K04; ICD-10: R00

    Subjectief: (oncomfortabele) bewustheid van slagen van het hart. Zij kunnen worden gevoeld als hartkloppingen, overslaan, hartbonzen, hartjagen, kloppen in de hals en pijn in de borst.

    Lees verder ›
  • HbA1c

    Bepaling van HbA1c/glycohemoglobine.

    Lees verder ›
  • Heesheid ICPC-2: R23; ICD-10: R49.0

    Heesheid is een stoornis van het stemgeluid: de stem is niet helder, maar ruw en veranderd van toonhoogte. Afhankelijk van de snelheid van ontstaan en de duur van de symptomen wordt onderscheid gemaakt in acute en chronische heesheid. Acute heesheid begint snel en bestaat korter dan 2 weken.

    Lees verder ›
  • Helicobacter pylori-infectie ICPC-2: D87; ICD-10: K29

    Helicobacter pylori is een gramnegatieve bacterie die op het maagslijmvlies kan voorkomen, de oorzaak is van ulcusziekte en chronische gastritis en een sterke risico-indicator is van maagkanker. Deze tekst beperkt zich tot patiënten met een aangetoond ulcus pepticum of een hoog risico op een peptisch ulcus (peptisch ulcus in het verleden, roken en/of hongerpijn).

    Lees verder ›
  • Helicobacter pylori

    Helicobacter pylori is een gekromd gramnegatief staafje, dat alleen groeit onder micro-aerofiele omstandigheden. Een kenmerkende eigenschap is de sterke ureaseproductie door de bacterie. Vanwege de morfologische gelijkenis met Campylobacter werd de bacterie die in 1982 voor het eerst gekweekt werd uit biopten van de maag en het duodenum eerst Campylobacter pyloridis genoemd. Bij dieren worden andere Helicobacter-soorten gekweekt uit de maag en duodenum. Bij de mens komen andere Helicobacter-soorten voor in de darm die zijn geassocieerd met diarree: H. fennelliae en H. cinaedi.

    Lees verder ›
  • Hematocriet (Ht)

    Bepalen van de volumefractie van de erytrocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Hematurie ICPC-2: U06; ICD-10: R31

    Hematurie wordt gedefinieerd als de aanwezigheid van bloed in de urine. Het vermoeden van hematurie ontstaat wanneer de urine rood tot bruin gekleurd is (macroscopische hematurie). Deze tekst bespreekt het diagnostisch beleid bij aanwijzingen voor macroscopische hematurie en is ook van toepassing voor het diagnostisch beleid bij microscopische hematurie. Van microscopische hematurie is sprake wanneer in normaal gekleurde urine bij microscopisch onderzoek (bij een vergroting van 400 x) > 3 erytrocyten per gezichtsveld worden aangetroffen.

    Lees verder ›
  • Hemochromatose ICPC-2: T99; ICD-10: E83.1

    Hemochromatose is een genetische ziekte die gepaard gaat met stapeling van ijzer in weefsels. Primaire hemochromatose (ook wel (hereditaire) hemochromatose genoemd) wordt gekenmerkt door een abnormaal verhoogde opname van ijzer door de darmmucosa. Bij secundaire hemochromatose is de stapeling van ijzer het gevolg van veelvuldige bloedtransfusies, onnodige ijzertherapie of een verhoogde afbraak van rode bloedcellen.

    Lees verder ›
  • Hemoglobine A2 (HbA2)

    De HbA2-concentratie in het bloed maakt deel uit van het hemoglobinopathie (HbP) onderzoekspakket en wordt voornamelijk bepaald bij verdenking op β-thalassemie, conform de landelijke protocollen van de VHL1 en bij preventie van vormen van β-thalassaemia major.

    Lees verder ›
  • Hemoglobine (Hb) in plasma, urine en CSF

    Bepalen van vrij hemoglobine in plasma of in urine bij vermoeden van intravasale hemolyse.

    Lees verder ›
  • Hemoglobine, foetaal (HbF%) en percentage HbF-cellen

    Het bepalen van de hoeveelheid foetaal hemoglobine (HbF% in lysaat) bij verdenking op hemoglobinopathieën, hereditaire hemolytische anemie, aplastische anemie conform de landelijke protocollen van de VHL.1

    Lees verder ›
  • Hemoglobine (Hb)

    De hemoglobineconcentratie van het bloed wordt bepaald bij verdenking op anemie of polycythemie.

    Lees verder ›
  • Hemoglobinen, instabiele en hyperinstabiele

    Ter verklaring van microcytaire hypochrome anemie of hemolyse, bij verdenking van mogelijke instabiliteit bij een al of niet zichtbaar abnormaal hemoglobine, als indicatie voor DNA-onderzoek. Maakt deel uit van het hemoglobinopathie (HbP) onderzoekspakket ter voorkoming van ernstige fenotypen in risicoparen.

    Lees verder ›
  • Hemolytische streptokokken groep A (Streptococcus pyogenes)

    Streptokokken zijn grampositieve bacteriën die in ketens groeien (streptos = ketting/keten). Streptococcus pyogenes heeft de eigenschap dat het, door de productie van streptolysine, erytrocyten afbreekt, waardoor er op de bloed-agarplaat een transparante hof om de kolonie te zien is. Met behulp van de Lancefieldclassificatie kunnen hemolytische streptokokken worden onderverdeeld in groep A, B, C en G op basis van een groepspecifiek polysacharide. Naast het streptolysine, bevat de bacteriesoort een reeks van andere virulentiefactoren, waaronder M-proteïne, dat bescherming biedt tegen fagocytose, DNasen (afbraak van DNA) en pyrogene exotoxines waardoor onder andere koorts, exantheem, fasciitis en septische shock kunnen ontstaan.

    Lees verder ›
  • Hemolytische streptokokken van groep B (Streptococcus agalactiae)

    Streptokokken zijn grampositieve bacteriën die in ketens groeien (streptos = ketting/keten). Streptococcus agalactiae is een β-hemolytsische streptokok, hetgeen wil zeggen dat hemoglobine wordt afgebroken hetgeen een opheldering geeft van bloedbevattende kweekmedia. Met behulp van de Lancefieldclassificatie kunnen β-hemolytische streptokokken worden onderverdeeld in groep A, B, C en G op basis van een groepspecifiek polysacharide. Streptococcus agalactiae bevat het groep B-polysacharide, de benamingen: groep B-streptokok (of varianten daarop) en Streptococcus agalactiae worden door elkaar gebruikt.

    Lees verder ›
  • Hepatitis A-virus (HAV)

    Hepatitis A-virus (HAV) is een RNA-virus met fecaal-orale transmissie.

    Lees verder ›
  • Hepatitis B-virus (HBV)

    Hepatitis B-virus (HBV) is een hepadnavirus dat via onbeschermd seksueel contact en bloed-bloedcontact (perinataal, niet-steriel medisch gereedschap) wordt verspreid.

    Lees verder ›
  • Hepatitis C-virus (HCV)

    Hepatitis C-virus (HCV) is een RNA-virus dat vrijwel obligaat via bloed-bloedcontact wordt verspreid.

    Lees verder ›
  • Hepatitis D-virus (HDV)

    Hepatitis D-virus of δ-agens (HDV) is een RNA-virus dat alleen kan repliceren in de aanwezigheid van hepatitis B-virusinfectie. Afwezigheid van HBV sluit HDV-infectie dus uit. HDV-transmissie geschiedt via onbeschermd seksueel contact en door bloed-bloedcontact.

    Lees verder ›
  • Hepatitis E-virus (HEV)

    Hepatitis E-virus (HEV) is een RNA-virus met fecaal-orale transmissie.

    Lees verder ›
  • Acute hepatitis ICPC-2: D97; ICD-10: K72.0

    Een acute ontsteking van het leverparenchym, die leidt tot verhoogde leverenzymspiegels in het bloed als gevolg van lekkage uit beschadigde levercellen.

    Lees verder ›
  • Hepatomegalie ICPC-2: D23; ICD-10: R16.0

    Hepatomegalie is een vergroting van de lever en wordt in de praktijk overwogen als de lever in de medioclaviculairlijn of mediaal meer dan 5 cm (3 vingers) onder de ribbenboog of processus xyphoïdeus palpabel is.1

    Lees verder ›
  • Herpessimplexvirus type 1 en 2

    Herpessimplexvirus type 1 en 2, ook wel humaan herpesvirus 1 en 2, zijn DNA-virussen behorend tot de herpesviridae. Het zijn α-herpesvirussen.

    Lees verder ›
  • dysplastische Heupontwikkeling ICPC-2: L82; ICD-10: Q65

    Onder dysplastische heupontwikkeling (DHO) vallen heupluxatie, heupsubluxatie, luxeerbare heup en heupdysplasie. De term geeft aan dat het gaat om een dynamische aandoening van de heup. Bij de geboorte zijn de afwijkingen nog niet altijd volledig aanwezig.

    Lees verder ›
  • Heuppijn/Mank lopen bij kinderen ICPC-2: L13;L29; ICD-10: R26

    Heuppijn is pijn gelokaliseerd in het gebied van het heupgewricht. Het heupgewricht wordt gevormd door het acetabulum en het caput femoris. Kinderen kunnen de precieze plek van de pijn vaak moeilijk aangeven. Jonge kinderen klagen niet over pijn, maar lopen mank of weigeren te lopen: ook oudere kinderen kunnen mank lopen zonder over pijn te klagen.

    Lees verder ›
  • ‘High-density lipoprotein’-cholesterol (HDL)

    Bepaling van ‘high-density lipoprotein’-cholesterol (HDL-cholesterol) in serum/plasma.

    Lees verder ›
  • Hirsutisme/Virilisatie ICPC-2: S24; ICD-10: L68.0

    Hirsutisme is overmatige haargroei bij vrouwen volgens het mannelijke verdelingspatroon. Virilisatie is vermannelijking, waarbij naast hirsutisme ook andere mannelijke kenmerken optreden (clitoromegalie, habitusverandering).

    Lees verder ›
  • Histoplasma capsulatum

    Aantonen van de importziekte histoplasmose met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Primaire Hiv-infectie ICPC-2: B90; ICD-10: B20

    Na infectie met het Humaan immunodeficiëntievirus (hiv) kan een griepachtig ziektebeeld (primaire, acute of recente hiv-infectie) ontstaan met algemene verschijnselen zoals koorts, moeheid, spier- en gewrichtsklachten, faryngitis en lymfadenopathie (mononucleosis-like-syndrome). In wisselende frequenties treden mucocutane verschijnselen op (zoals een maculopapuleus exantheem op de romp, exantheem en vervelling van handen/voeten, orale/genitale ulcera), gastro-intestinale verschijnselen (zoals diarree, misselijkheid, braken) en neurologische verschijnselen (zoals meningitis, encefalitis).

    Lees verder ›
  • Homocysteïnetest

    Met de methioninebelastingstest wordt gepoogd erfelijke of verworven storingen in het metabolisme van homocysteïne, een onafhankelijk risicoparameter voor onder andere arteriosclerose, op te sporen.

    Lees verder ›
  • Huid- en wondkweek

    Het doel van een huid- of wondkweek is het aantonen van de aanwezigheid van bacteriën (of gisten) in geïnfecteerde laesies om een optimale behandeling mogelijk te maken.

    Lees verder ›
  • Humaan choriongonadotrofine, als tumormarker (hCG)

    Bepalen van hCG in bloed (serum of plasma) ter ondersteuning van de therapiekeus voorafgaand aan de behandeling van kiemceltumoren van de testis, bij de controle na evacuatie van molazwangerschap en het vervolgen van het effect van chemotherapie bij persisterende trofoblast of choriocarcinoom.

    Lees verder ›
  • Humaan choriongonadotrofine (hCG), bij zwangerschap

    Bepaling van hCG in serum of urine.

    Lees verder ›
  • Humaan herpesvirus 6 en 7 (HHV-6 en HHV-7)

    Humaan herpesvirussen 6 en 7 horen net als cytomegalovirus (CMV) tot de β-herpesvirussen binnen de familie herpesviridae.

    Lees verder ›
  • Humaan herpesvirus 8 (HVV-8)

    Kaposisarcoomherpesvirus of HHV-8 is een DNA-virus. Het is de jongste telg van de familie herpesviridae. Het is net als epstein-barrvirus een γ-herpesvirus.

    Lees verder ›
  • Humaan immunodeficiëntievirus (hiv)

    Hiv-1 en hiv-2 zijn RNA-virussen die tot de familie van de retroviridae behoren.

    Lees verder ›
  • Humaan metapneumovirus (hMPV)

    Metapneumovirus is een RNA-virus en hoort tot de familie van de paramyxoviridae.

    Lees verder ›
  • Humaan-T-celleukemievirus (HTLV-I/II)

    HTLV-I en -II zijn RNA-virussen en ook retrovirussen.

    Lees verder ›
  • Hymenolepis nana- en overige lintworminfecties

    Hymenolepis nana is een platworm (Platyhelminthes), behorende tot de groep van lintwormen (Cestoda). Het is de meest voorkomende, tevens allerkleinste, humane lintworm. Hymenolepis staat ook bekend onder de naam Rodentolepis. H. nana komt van nature bij de mens voor en is enkele centimeters lang. De volwassen worm leeft in de dunne darm en wordt slechts 4-6 weken oud. Door auto-infectie kan de infectie zich echter vele jaren in stand houden. H. diminuta komt van nature bij knaagdieren voor en wordt slechts zelden bij de mens gezien. Diphyllobothrium latum (brede vissenlintworm)-infecties worden geassocieerd met het eten van rauwe zoetwatervis. Het is de langste bij de mens bekende lintworm. Daarnaast zijn er diverse andere Diphyllobothrium-soorten die sporadisch bij de mens beschreven zijn.

    Lees verder ›
  • Primair hyperaldosteronisme ICPC-2: T99; ICD-10: E26

    Primair hyperaldosteronisme, ofwel syndroom van Conn, is een ziektebeeld gekenmerkt door hypertensie in combinatie met neiging tot hypokaliëmie, gebaseerd op een overproductie van aldosteron door een oorzaak in de bijnier, onafhankelijk van renine. Renineafhankelijke hypersecretie van aldosteron wordt secundair hyperaldosteronisme genoemd, met een oorzaak buiten de bijnier.

    Lees verder ›
  • Hypercalciëmie ICPC-2: T99; ICD-10: E83.5

    Hypercalciëmie wordt gedefinieerd als een voor albumine gecorrigeerde calciumspiegel boven 2,55 mmol/l bij volwassenen en boven 2,65 mmol/l bij kinderen en adolescenten. Symptomatische hypercalciëmie treedt in het algemeen pas op bij een calciumspiegel boven 3,00 mmol/l.

    Lees verder ›
  • Hypercholesterolemie/Dyslipidemie ICPC-2: T93; ICD-10: E78

    In 1999 werd van hypercholesterolemie gesproken indien de totale cholesterolconcentratie in het bloed hoger is dan 5,0 mmol/l. Anno 2011 worden bij cardiovasculaire hoogrisicopatiënten strenge richtlijnen gehanteerd (LDL cholesterol < 2,5 mmol/l).1 Voortschrijdend inzicht heeft de laatste jaren geleid tot verdere aanscherping van de indicatie tot cholesterolverlagende behandeling bij hoogrisicopatiënten (patiënten met diabetes mellitus en/of manifest macrovasculair lijden). Daarbij wordt tegenwoordig in Nederland gestreefd naar een LDL-cholesterol < 2,5 mmol/l. Amerikaanse richtlijnen gaan nog verder met het streven naar LDL-waarden < 1,8 mmol/l bij hoogrisicogroepen.

    Lees verder ›
  • Hypertensie ICPC-2: K86; ICD-10: I10

    De bloeddruk is verhoogd wanneer deze hoger dan of gelijk is aan 140 mmHg systolisch en/of 90 mmHg diastolisch (Korotkoff V). Dit geldt ook voor personen ouder dan 60 jaar.1

    Lees verder ›
  • Hyperthyreoïdie ICPC-2: T85; ICD-10: E05

    Het begrip thyreotoxicose is breder dan het begrip hyperthyreoïdie, maar beide worden vaak door elkaar gebruikt.

    Lees verder ›
  • Hyperventilatiesyndroom ICPC-2: R98; ICD-10: R06.4

    Hyperventilatie staat voor een verhoogde ventilatie (hoger dan voor het metabolisme op dat moment noodzakelijk is). Met andere woorden ‘te snel en/of te diep ademen’. Op zichzelf is dit geen ziekte, maar een verstoord adempatroon met een meer dan normaal in- en uitademen. Omdat het lichaam daarop niet is ingesteld en zich probeert aan te passen, kan een verscheidenheid aan klachten ontstaan.

    Lees verder ›
  • Hypoglykemie ICPC-2: T87; ICD-10: E16.2

    Hypoglykemie is een klinisch syndroom (trias van Whipple): neuroglycopene symptomen, een verlaagde plasmaglucosewaarde en symptoomherstel na glucosetoevoer. Een hypoglycemie (bloedsuiker < 3,8 mmol/l) manifesteert zich veelal met alarmsymptomen via een activering van het autonome, sympathische zenuwstelsel. Klachten als hartkloppingen, zweten, trillen en onrust met hongersensaties treden dan op, tenminste als deze ‘zenuwreflex’ voor een hypoglycemie intact is.1 Deze ‘hypoglycaemia awareness’ is kennelijk nodig voor een functionele alarmfase. Bij het verder dalen van de bloedsuiker (< 2,8 mmol/l) ontstaan ernstigere verschijnselen die duiden op een suikertekort in de hersenen (ook wel: neuroglycopenie), zoals verwardheid, agressief gedrag, onscherp zien en coördinatiestoornissen. Als correctie van de hypoglycemie uitblijft volgt bewustzijnsverlies, soms met epileptische insulten of coma. Zeer zelden treedt de dood in. De literatuur is niet eenduidig over de afkapwaarde voor de definitie hypoglycemie, maar geeft wel aan dat het verdwijnen van hypoklachten na inname van suikers de vaststelling van een hypoglycemie ondersteunt. Een ernstige hypoglycemie is een hypoglycemie waarbij voor correctie hulp van derden nodig is. Meestal verloopt een hypoglycemie evenwel mild, subklinisch, (onbewust) gecorrigeerd met een ‘tussendoortje’ of een andere vorm van reactief eetgedrag. Het optreden van een ernstige hypoglycemie bij een oudere kwetsbare patiënt met diabetes is geassocieerd met verhoogde risico’s van hart- en vaatziekten, cognitief functieverlies (Alzheimer) en ongunstige uitkomsten bij ernstige ziekten. Het is nog onbekend in welke mate deze associates oorzakelijk zijn.2

    Lees verder ›
  • Hypothyreoïdie ICPC-2: T86; ICD-10: E03

    Hypothyreoïdie ontstaat door een verminderde afgifte van schildklierhormoon. Bij primaire hypothyreoïdie is de oorzaak van de verminderde afgifte van schildklierhormoon in de schildklier zelf gelegen. Bij secundaire respectievelijk tertiaire hypothyreoïdie is de afgifte van schildklierhormoon verminderd door uitval van TSH op hypofysair respectievelijk van TRH op hypothalaam niveau. Er is sprake van subklinische hypothyreoïdie wanneer TSH is verhoogd bij een normaal FT4 ,1,2 al dan niet gepaard gaande met symptomen. Tijdens veroudering neemt de kans op een subklinische hypothyreoïdie toe, welke dan – in afwezigheid van anti TPO antistoffen – mogelijk geduid kan worden als een energiesparend ouderdomsverschijnsel. Dit hoofdstuk handelt niet over de congenitale hypothyreoïdie die in Nederland wordt vastgesteld met behulp van het screening bij zuigelingen via de zogenaamde hielprik.

    Lees verder ›
  • IJzer

    Diagnostiek en monitoring van ijzergebrek en ijzerstapeling.

    Lees verder ›
  • INR (International Normalised Ratio)

    Controle van behandeling met orale anticoagulantia (vitamine K-antagonisten).

    Lees verder ›
  • Icterus neonatorum ICPC-2: A94; ICD-10: P57;P58;P59

    Gele verkleuring van de huid en conjunctivae ten gevolge van een hoge bilirubineconcentratie in het bloed bij de pasgeborene.

    Lees verder ›
  • Icterus ICPC-2: D13; ICD-10: R17

    Icterus (geelzucht) is een gele verkleuring van de oogsclerae en de huid ten gevolge van een verhoogde plasmaspiegel van bilirubine. Er zijn 3 categorieën oorzaken voor icterus of hyperbilirubinemie, te weten: prehepatische, hepatische, en posthepatische of cholestatische icterus. Een cholestatische icterus is het gevolg van een gestoorde afvoer van gal.

    Lees verder ›
  • Immunofenotypische analyse van hematologische maligniteiten

    Het begrip immunofenotypering wordt in de immunologie en hematologie gebruikt voor onderzoek naar het immunofenotype van cellen (veelal leukocyten). Hierbij wordt gebruikgemaakt van (monoklonale) antistoffen die specifiek een bepaald eiwit of suikergroep op de celmembraan of intracellulair herkennen. Veelal wordt gebruikgemaakt van fluorochroom-geconjugeerde antistoffen, waarna de reactiviteit snel en eenvoudig kan worden vastgesteld door de leukocyten (of andere cellen) te analyseren met de flowcytometer. Door meerdere antistoffen gelijktijdig te gebruiken wordt gedetailleerde informatie verkregen over het eiwit-expressieprofiel (ofwel immunofenotype) van de onderzochte cellen.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline A (IgA)

    Het bepalen van de IgA-concentratie in serum of ander lichaamsvocht (bijvoorbeeld speeksel).

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline D (IgD)

    Bepaling van de concentratie IgD in serum.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline E (IgE)/Allergeenspecifiek IgE

    Serologisch IgE-onderzoek voor het aantonen van sensibilisatie bij verdenking van IgE-gemedieerde allergie.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline G-subklassen (IgG)

    Vaststellen van het gehalte van IgG-subklassen.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline G (IgG)

    Het bepalen van de IgG-concentratie in serum of ander lichaamsvocht.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline M (IgM)

    Het bepalen van de concentratie IgM in serum.

    Lees verder ›
  • Immunoglobuline-index (IgG)

    Onderzoek naar intrathecale immunoglobulinesynthese.

    Lees verder ›
  • Immunologische fecaaloccultbloedtest (iFOBT)

    Bepaling van humaan hemoglobine in feces voor de screening naar colorectale kanker of voorstadia daarvan.

    Lees verder ›
  • Incontinentie voor feces ICPC-2: D17; ICD-10: R15

    Er is ongewild verlies van ontlasting (vloeibaar of vast).

    Lees verder ›
  • Incontinentie voor urine ICPC-2: U04; ICD-10: R32

    Urine-incontinentie is het ongewild verliezen van urine.

    Lees verder ›
  • Influenzavirus type A en B

    Influenza-A en -B zijn RNA-virussen. De virussen behoren tot de familie van de orthomyxoviridae.

    Lees verder ›
  • Insuline

    Bepalen van insuline voor bevestiging van een insulinoom, diagnostiek van onverklaarde hypoglykemieën en de lokalisatie van insulineproducerende tumoren met behulp van selectieve sampling.

    Lees verder ›
  • Insulineachtige groeifactor 1 (IGF-1)

    Het beoordelen van de groeihormoonstatus bij zowel groeihormoondeficiëntie als acromegalie, het effect van groeihormoontherapie en de voedingsstatus.

    Lees verder ›
  • Irregulaire antistoffen

    Het opsporen van irregulaire antistoffen tegen erytrocyten, dit wil zeggen antistoffen tegen andere bloedgroepen dan die in het ABO-systeem.

    Lees verder ›
  • Isospora belli

    Isospora is een eencellige darmparasiet (Protozoa) behorende tot de coccidiën. Recentelijk is de parasiet ingedeeld bij het geslacht Cystoisospora. Isospora belli is de enige bij de mens voorkomende soort. De parasiet infecteert de epitheelcellen van de dunne darm.

    Lees verder ›
  • JAK2-V617F-mutatie

    Het testen op de aanwezigheid van de somatische JAK2-V617F-mutatie wordt gebruikt bij het diagnosticeren van de myeloproliferatieve aandoeningen polycythaemia vera, essentiële trombocytose en primaire myelofibrose.

    Lees verder ›
  • Jicht ICPC-2: T92; ICD-10: M10

    Jicht is een kristalartropathie veroorzaakt door vorming en neerslag van natriumuraatkristallen.

    Lees verder ›
  • Kaakgewrichtsklachten/Temporomandibulaire disfunctie ICPC-2: L07; ICD-10: K07.6

    Temporomandibulaire disfunctie (TMD) betreft aandoeningen in en rond het kaakgewricht (temporomandibulair gewricht), die tot uiting komen in een combinatie van symptomen: kaakgewrichtsgeluiden, pijn in of rond het kaakgewricht of de kauwspieren en bewegingsbeperking van de kaak.

    Lees verder ›
  • Kalium

    Vaststellen van hyper- en hypokaliëmie.

    Lees verder ›
  • Keelkweek

    Het doel van een keelkweek is het aantonen van de aanwezigheid van pathogene bacteriën in een keel en zo nodig te bepalen voor welke antibiotica de gekweekte bacteriën gevoelig zijn. Daarnaast wordt een keelkweek in sommige gevallen verricht om dragerschap met specifieke micro-organismen op te sporen.

    Lees verder ›
  • Acute keelpijn ICPC-2: R74; ICD-10: J02

    Acute keelpijn is plotseling optredende pijn in de keel, die nog niet langer dan 2 weken bestaat.

    Lees verder ›
  • Kinkhoest ICPC-2: R71; ICD-10: A37

    Kinkhoest is een respiratoire infectie veroorzaakt door de gramnegatieve bacterie Bordetella pertussis (minder vaak B. parapertussis). Er worden 3 fasen onderscheiden:

    Lees verder ›
  • Klebsiella granulomatis

    Klebsiella granulomatis is een gramnegatieve, intracellulair groeiende bacterie die tot 1999 bekend was onder de naam Calymmatobacterium granulomatis. De indeling van Calymmatobacterium granulomatis in het genus Klebsiella is gebaseerd op basis van de zeer grote genetische overeenkomsten. Een belangrijk verschil is echter dat de meeste Klebsiella-soorten net als de andere Enterobacteriaceae gemakkelijk kweekbaar zijn op bacteriologische voedingsbodems, terwijl K. granulomatis alleen kweekbaar is in celkweken.

    Lees verder ›
  • Klinisch moleculaire genetica: DNA-diagnostiek

    Het identificeren en duiden van genmutaties bij patiënten en familieleden met de verdenking op een erfelijke aandoening. De aandoening kan autosomaal dominant, autosomaal recessief, X-gebonden of mitochondrieel overerven of een de novo karakter hebben. De indexpatiënt wordt bij voorkeur eerst onderzocht. Als de mutatie is geïdentificeerd, kan gericht dragerschaponderzoek gedaan worden bij familieleden.

    Lees verder ›
  • Klinisch-genetische laboratoriumdiagnostiek

    De klinisch-genetische laboratoriumdiagnostiek, ook wel genoomdiagnostiek genoemd, is de jonge overkoepelende discipline waarin de klinische cytogenetica en klinische moleculaire genetica (DNA-diagnostiek) zijn opgegaan. Door nieuwe moleculaire technieken zijn in de afgelopen jaren de cytogenetica en DNA-diagnostiek elkaar zeer dicht genaderd en is de traditionele scheidslijn sterk vervaagd. De klinisch-genetische laboratoriumdiagnostiek (voor informatie zie ook de website van de Vereniging Klinisch Genetische Laboratoriumdiagnostiek VKGL: http://www.vkgl.nl/) richt zich op het identificeren en interpreteren van structurele afwijkingen in het erfelijke materiaal ter beantwoording van erfelijkheidsvragen bij patiënten en in families met een verdenking op erfelijke en aangeboren afwijkingen. Hierbij wordt het hele spectrum van beschikbare technieken bestreken van lichtmicroscopie, CGH/SNP-array tot basenvolgordebepaling (Sanger- en Next Generation Sequencing).

    Lees verder ›
  • Knieletsel ICPC-2: L15; ICD-10: M25

    Traumatische aandoening van de knie.

    Lees verder ›
  • Koolmonoxide

    Bepaling van carboxyhemoglobine (COHb) ter bevestiging of uitsluiting van koolmonoxidevergifting.

    Lees verder ›
  • Koorts bij terugkeer uit de tropen ICPC-2: A03; ICD-10: R50

    Koorts is een stijging van de lichaamstemperatuur boven de 38°C (rectaal). In deze probleemstelling wordt uitgegaan van een tropische ziekte als mogelijke oorzaak van de koorts. Wanneer diarree op de voorgrond staat, wordt verwezen naar Diarree bij terugkeer uit de tropen. Voor malaria wordt verwezen naar Malaria.

    Lees verder ›
  • Koortsconvulsies ICPC-2: N07; ICD-10: R56.0

    Men spreekt van een koortsconvulsie als bij een daarvoor neurologisch gezond kind een convulsie optreedt bij koorts (temperatuur > 38 °C) zonder intracraniële pathologie. Men onderscheidt typische en atypische koortsconvulsies.1

    Lees verder ›
  • Koper

    Het bepalen van koper in serum of urine bij de diagnostiek en behandeling van kopertekort of koperstapeling.

    Lees verder ›
  • LKM-antistoffen

    Bepaling van LKM-antistoffen in het serum.

    Lees verder ›
  • Lactaat

    Nader onderzoek acidose. Verdenking metabole stoornis.

    Lees verder ›
  • Lactaatdehydrogenase (LD)

    Bepaling van de activiteit van lactaatdehydrogenase (LD) in bloedplasma of serum.

    Lees verder ›
  • Lactosetolerantietest (LTT)

    Aantonen van lactosemalabsorptie.

    Lees verder ›
  • Aspecifieke lage rugpijn ICPC-2: L03; ICD-10: M53.3;M54.0;M54.5

    Aspecifieke lage rugpijn is rugpijn die is gelokaliseerd onder de scapulapunten en boven de bilplooien, waarbij geen specifieke oorzaak aanwijsbaar is. De diagnose berust op basis van uitsluiting van een lichamelijke afwijking die de klachten verklaart. Men spreekt van acute lage rugpijn als de klachten korter dan 6 weken bestaan. Subacute lage rugpijn bestaat 6-12 weken en chronische lage rugpijn bestaat langer dan 12 weken of recidiveert steeds.

    Lees verder ›
  • Legionella pneumophila

    Legionella pneumophila is een langzaam groeiende aerobe, gramnegatieve bacterie met bijzondere groei-eisen. Voor de kweek zijn speciale voedingsbodems vereist met actieve koolstof, cysteïne en andere speciale ingrediënten. Hierdoor heeft het tot 1976 geduurd voordat de bacterie voor het eerst in kweek gebracht werd na een uitbraak van pneumonie bij een bijeenkomst van Amerikaanse veteranen in Philadelphia. Van L. pneumophila zijn vijftien serotypen bekend; behalve L. pneumophila zijn er nog zo’n veertig andere Legionella-soorten bekend.

    Lees verder ›
  • Leishmania species

    Leishmania species zijn protozoën (eencellige parasieten) die door insecten (zandvliegjes) worden overgedragen. Er zijn rond de twintig soorten binnen het geslacht Leishmania die pathogeen zijn voor de mens. De taxonomie en classificatie van deze soorten staat nog steeds ter discussie.

    Lees verder ›
  • Leptine, een adipokine

    Bij obesitas en diabetes mellitus type 2 kan kennis van de leptineconcentratie van belang zijn voor inzicht en behandeling van de aandoening en de complicaties.

    Lees verder ›
  • Leptospira

    Leptospira is een dunne, spiraalvormig gewonden, aerobe gramnegatieve bacterie. Traditioneel werd de Leptospira ingedeeld in twee soorten: de pathogene Leptospira interrogans en de apathogene Leptospira biflexa, met binnen elke soort een groot aantal serovars. Binnen het genus Leptospira worden nu ten minste dertien species onderscheiden; de oude classificatie wordt echter ook nog steeds gebruikt.

    Lees verder ›
  • Leukemie ICPC-2: B73; ICD-10: C91;C92;C93;C94;C95

    Leukemie is een verzamelnaam voor een heterogene groep hematologische maligniteiten. Centraal staat een ernstige storing in het regulatiemechanisme van proliferatie en differentiatie van hemopoëtische voorlopercellen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen lymfatische en myeloïde leukemie en acute en chronische leukemie.

    Lees verder ›
  • Leukocyten

    Het bepalen van de concentratie van leukocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Leukocytose ICPC-2: B84; ICD-10: D72.8

    Leukocytose is een toename van het aantal leukocyten (> 10 x 109/l) in het perifere bloed.

    Lees verder ›
  • Leukocyturie zonder aanwijzingen voor lagere urineweginfectie ICPC-2: U98; ICD-10: R82

    Deze tekst beperkt zich tot de aanwezigheid van leukocyten in de urine, eventueel in combinatie met erytrocyten bij kwalitatief urineonderzoek (teststrook), buiten het kader van lagere urineweginfecties.

    Lees verder ›
  • Orale leukoplakie ICPC-2: D83; ICD-10: K13.2

    Orale leukoplakie is een witte, niet-afschraapbare slijmvliesafwijking met enigszins ruw aspect, vooral voorkomend op tong, lip en het wangslijmvlies dat klinisch of histopathologisch niet als een andere witte mondaandoening kan worden gediagnostiseerd. Klinisch manifesteert het zich als een homogene afwijking (vlak, egaal wit) of als een niet-homogene afwijking, dat wil zeggen verruceus, nodulair of erosief met naast een witte tevens een rode component (erytroleukoplakie). Leukoplakie is histologisch veelal benigne, maar bij voorkomende celatypie is dit een premaligne aandoening.

    Lees verder ›
  • Focaal leverafwijking ICPC-2: D97

    Een focale leverafwijking is een solide, cysteuze of gemengde afwijking, die bij beeldvormend onderzoek in de lever wordt vastgesteld. De afwijking kan asymptomatisch zijn en als toevalsbevinding bij beeldvorming van andere organen optreden. De afwijking kan ook symptomatisch zijn en bij gericht onderzoek worden vastgesteld.

    Lees verder ›
  • Levercirrose ICPC-2: D97; ICD-10: K74

    Levercirrose is een chronische leveraandoening bestaande uit (nodulaire) regeneratie en verlittekening (fibrose) van de lever als reactie op hepatocellulaire necrose. Levercirrose kan leiden tot verminderde leverfunctie met als mogelijke complicaties portale hypertensie en varicesbloedingen, encefalopathie, water- en zoutretentie met ascitesvorming en als eindstadium het hepatorenaal syndroom.

    Lees verder ›
  • Lichaamsvloeistoffen

    Het komt nogal eens voor dat het laboratorium de vraag krijgt na te gaan wat de aard is van de vloeistof die bij de patiënt werd verzameld. Bij nadere beschouwing (zie tabel 1) blijkt dat de verschillende vloeistoffen herkend zouden kunnen worden aan karakteristieke eigenschappen van de in de vloeistof opgeloste parameters.

    Lees verder ›
  • Lipase

    Vaststellen van de hoogte van de lipaseactiviteit in plasma of serum.

    Lees verder ›
  • Lipoprote

    Onderzoek naar lipiden en (apo)lipoprote

    Lees verder ›
  • Liquor cerebrospinalis, chemisch onderzoek en cellen

    Onderzoek van liquor cerebrospinalis bij neurologische vraagstellingen.

    Lees verder ›
  • Liquoronderzoek bij virale meningitis/encefalitis

    Voor de diagnostiek van meningitis of encefalitis is analyse van liquor essentieel. In het verleden probeerde men virussen uit liquor te kweken, maar vergelijkend onderzoek van de laatste tien tot vijftien jaar heeft duidelijk gemaakt dat kweek obsoleet is. De gouden standaard voor liquoronderzoek is het aantonen van viraal DNA respectievelijk RNA met moleculaire diagnostiek, zoals PCR. In liquor is de methode zeer sensitief, zeer specifiek en zeer snel. Nadeel van de techniek is evenwel dat het misschien wel te sensitief is. Aantonen van een zeer geringe hoeveelheid RNA en/of DNA is soms bewijzend voor een veroorzakende rol van het virus, maar niet altijd.

    Lees verder ›
  • Listeria monocytogenes

    Listeria monocytogenes is een aerobe grampositieve bacterie die binnen een groot temperatuurbereik kan groeien (4 °C tot 37 °C). Het is een intracellulaire pathogeen, waarbij de cellulaire immuniteit van belang is. Er is een zestal verschillende soorten Listeria bekend, waarvan alleen L. monocytogenes pathogeen is voor de mens.

    Lees verder ›
  • Lithium

    Controle van de lithiumspiegel gedurende therapie met lithium.

    Lees verder ›
  • Longembolie ICPC-2: K93; ICD-10: I26

    Een longembolie is een plotselinge afsluiting van een longarterie door een embolus. Longembolie maakt deel uit van het complex van trombo-embolische ziekten, evenals diepveneuze trombose.

    Lees verder ›
  • Longtuberculose ICPC-2: A70; ICD-10: A16

    Longtuberculose is een ziekte die wordt veroorzaakt door één van de mycobacteriële species van het Mycobacterium tuberculosis complex. De ziekte kent vele verschillende uitingsvormen, waarvan longtuberculose veelal met de meeste ziekteactiviteit gepaard gaat.

    Lees verder ›
  • Lood

    Bepaling van lood in bloed en/of urine.

    Lees verder ›
  • ’Low-density lipoprotein’-cholesterol (LDL)

    Bepaling van het ‘low-density lipoprotein’ (LDL)-cholesterol in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Lumbosacraal radiculair syndroom ICPC-2: L86; ICD-10: M47.1;M47.2;M51.0;M51.1;M51.2; M51.3;M51.4; M51.8;M51.9;M54.3;M54.4

    Het lumbosacraal radiculair syndroom wordt gekenmerkt door uitstralende pijn in een of meer lumbale of sacrale dermatomen, al dan niet gepaard gaande met andere radiculaire prikkelings- of uitvalsverschijnselen (sensibiliteitsstoornissen, krachtverlies, reflexafwijkingen, mictiestoornissen).

    Lees verder ›
  • Lupus anticoagulans (LAC)

    Diagnostiek van antifosfolipidensyndroom (APS).

    Lees verder ›
  • cutane Lupus erythematosus ICPC-2: S99; ICD-10: L93

    Cutane manifestaties van lupus erythematosus (LE) worden geclassificeerd als LE-specifiek of -aspecifiek (zoals cutane vasculitis, urticaria, Raynaud fenomeen).

    Lees verder ›
  • Ziekte van Lyme ICPC-2: A78; ICD-10: A69.2

    Lymeziekte (lymeborreliose) is de infectieziekte die wordt veroorzaakt door de spirocheet Borrelia burgdorferi, die wordt overgedragen door een beet van een besmette Ixodes ricinus (schapenteek).

    Lees verder ›
  • Solitair vergrote lymfklier in de hals ICPC-2: B02; ICD-10: R59.0

    Bij een solitair vergrote lymfklier in de hals is er 1 halslymfklier palpabel. De belangrijkste lymfklieren liggen onder de kaakhoek, en aan de mediale en laterale rand van de m. sternocleidomastoideus en boven het sleutelbeen (zie figuur).

    Lees verder ›
  • Gegeneraliseerd vergrote lymfklieren ICPC-2: B02; ICD-10: R59.1

    Gegeneraliseerde lymfadenopathie is het op diverse plaatsen aanwezig zijn van palpabele lymfklieren. Hierbij zijn de normaal te palperen inguïnale lymfklieren (tot een grootte van circa 1,5 cm) niet inbegrepen.

    Lees verder ›
  • Lymfocytensubtypering

    Bepalen van relatieve en absolute aantallen van de verschillende lymfocytenpopulaties in perifeer bloed en beenmerg.

    Lees verder ›
  • Lysozym

    Lysozym in serum of urine wordt gebruikt om de toe- of afname van sarcoïdose te volgen.

    Lees verder ›
  • Ziekte van Ménière

    De ziekte van Ménière is een stoornis in het perifere gehoor- en evenwichtsorgaan die wordt gekenmerkt door aanvallen van draaiduizeligheid, een fluctuerend of progressief perceptief gehoorverlies en tinnitus in het aangedane oor. Daarbij wordt vaak een drukgevoel in het aangedane oor aangegeven.

    Lees verder ›
  • MDMA (XTC)

    Onderzoek op gebruik van MDMA (xtc; 3,4-methyleendioxymethamfetamine; ecstasy).

    Lees verder ›
  • MRSA

    Meticillineresistente Staphylococcus aureus is een S. aureus die door het vermogen om een speciaal penicillinebindend eiwit (PBP2a) te produceren resistent is tegen de werking van vrijwel alle β-lactamantibiotica (penicilline, cefalosporine en carbapenem). Bij veel MRSA’s is daarnaast nog sprake van resistentie tegen diverse andere klassen antibiotica, waardoor in sommige gevallen effectieve behandeling van ernstige infecties zeer bemoeilijkt wordt.

    Lees verder ›
  • MTHFR-genotypering (hyperhomocysteïnemie)

    Voor nader onderzoek naar de oorzaak van hyperhomocysteïnemie of homocystinurie kan het nuttig zijn mutatieanalyse in het MTHFR-gen uit te voeren. Het MTHFR-enzym speelt een centrale rol in het metabolisme van foliumzuur. Naast mutaties in het MTHFR-gen kan overigens ook cystathionine-β-synthasedeficiëntie (CBS-gen) de oorzaak zijn van hyperhomocysteïnemie.

    Lees verder ›
  • Magnesium (in bloed en urine)

    Uitsluiten of vaststellen van een hypo- of hypermagnesiëmie.

    Lees verder ›
  • Malaria ICPC-2: A73; ICD-10: B54

    Malaria is een protozoaire infectie.

    Lees verder ›
  • Malassezia furfur

    Aantonen van Malassezia furfur met kweek en microscopie.

    Lees verder ›
  • Maligne lymfomen ICPC-2: B72; ICD-10: C81;C82;C83;C84;C85

    Maligne lymfomen zijn kwaadaardige woekeringen van het lymfoïde weefsel. De hoofdgroepen zijn de Hodgkin- en de non-Hodgkinlymfomen.

    Lees verder ›
  • Mazelenvirus

    Mazelenvirus is een RNA-virus en hoort tot de groep van de morbillivirussen.

    Lees verder ›
  • Mean corpuscular volume (MCV)

    Het bepalen van de karakteristieken van de erytrocytenpopulatie.

    Lees verder ›
  • Melaena ICPC-2: D15; ICD-10: K92.1

    Melaena is zwarte, karakteristiek weeïg stinkende, teerachtige ontlasting als gevolg van bijmenging met een aanzienlijke hoeveelheid bloed.

    Lees verder ›
  • Melanoom van de huid ICPC-2: S77; ICD-10: C43

    Een melanoom is een maligne tumor die uitgaat van de melanocyten in de epidermis. Er zijn 4 varianten: het superficieel spreidend melanoom (75%), nodulair melanoom (15%), lentigo maligna melanoom (5%) en acrolentigineus melanoom (5%).

    Lees verder ›
  • Meningitis ICPC-2: N71; ICD-10: G00;G01;G02;G03

    Meningitis is een ontsteking van de meningen/hersenvliezen. Het klassieke klinisch beeld wordt gekenmerkt door meningeale prikkelingsverschijnselen: nekstijfheid, opisthotonus, teken van Brudzinski en teken van Kernig. Daarnaast treden algemene ziekteverschijnselen als koorts, hoofdpijn, misselijkheid, braken en fotofobie op, al of niet in combinatie met verwardheid en daling van het bewustzijn. Bij jonge kinderen en bejaarden kan meningitis zich aspecifiek manifesteren.

    Lees verder ›
  • Methadonmetaboliet (EDDP)

    Onderzoek op gebruik van methadon.

    Lees verder ›
  • Methemalbumine

    Het bepalen van de concentratie methemalbumine bij verdenking op intravasale hemolyse of bij verdenking op hemorragische pancreatitis.

    Lees verder ›
  • Methemoglobine

    Het bepalen van methemoglobine en/of sulfhemoglobine bij onbegrepen cyanose of hypoxie.

    Lees verder ›
  • Methylmalonzuur (MMA)

    Het opsporen van erfelijke of verworven storingen in het metabolisme van methylmalonzuur; het bevestigen of ontkennen van een vitamine B12-deficiëntie op cellulair niveau.

    Lees verder ›
  • Metopirontest, metyrapontest

    Met de metopirontest kan men een schatting maken van stoornissen in de terugkoppeling van cortisol op het hypothalamus-hypofysesysteem.

    Lees verder ›
  • Microscopisch onderzoek feces

    Opsporen van mogelijke oorzaak van malabsorptie in het spijsverteringsorgaan.

    Lees verder ›
  • Microsporidium species

    Microsporidia zijn obligaat intracellulaire, sporenvormende eencellige parasieten (Protozoa) die gezamenlijk het subfylum van de Microspora vormen. Er zijn tientallen genera en honderden soorten beschreven, waarvan ten minste veertien pathogeen zijn bij de mens. De meest frequent bij de mens beschreven Microsporidium-infectie is die met Enterocytozoon bieneusi. Daarnaast wordt Encephalitozoon intestinalis als diarreeverwekker gezien. Deze laatste kan zich, net als enkele andere Microspora-soorten, ook naar andere organen verspreiden, zoals naar de hersenen, longen en nieren.

    Lees verder ›
  • Migraine ICPC-2: N89; ICD-10: G43

    Migraine wordt gekenmerkt door herhaalde aanvallen van heftige hoofdpijn, die verergert bij bewegen en gepaard gaat met misselijkheid, braken en/of overgevoeligheid voor zintuiglijke prikkels zoals licht, geluid en geur. De hoofdpijn is bij circa twee derde van de patiënten unilateraal gelokaliseerd (meestal afwisselend links/rechts bij verschillende aanvallen), en soms bonzend van karakter. Bij volwassenen duurt een hoofdpijnaanval bij onbehandelde migraine 4-72 uur. De aanvalsfrequentie is wisselend, echter zelden hoger dan 6 maal per maand.

    Lees verder ›
  • Mijnworm

    Ancylostoma duodenale en Necator americanus zijn rondwormen (Nematoda) en worden gezamenlijk aangeduid als mijnworm. Naast deze twee soorten bestaan er enkele niet-humane Ancylostoma-soorten (o.a. A. brasiliensis en A. ceylanicum) die gewoonlijk bij andere zoogdieren (in het bijzonder honden en katten) voorkomen en bij de mens tijdelijke huidklachten kunnen induceren. Mijnworm wordt gerekend tot de groep van grondnematoden.

    Lees verder ›
  • Minimal residual disease (MRD) bij hematologische maligniteiten

    Minimal residual disease (MRD-)diagnostiek heeft als doel de hoeveelheid tumorcellen die tijdens of na behandeling van een hematologische maligniteit nog in het beenmerg of bloed van de patiënt aanwezig zijn vast te stellen. Dergelijke informatie maakt het mogelijk om per patiënt de behandeling aan te passen (verminderen of verzwaren).

    Lees verder ›
  • Moleculaire classificatie van hematologische maligniteiten

    Onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van bepaalde moleculaire markers (chromosoomafwijkingen) bij patiënten met de diagnose hematologische maligniteit, teneinde tot een betere classificatie van het type hematologische maligniteit te komen.

    Lees verder ›
  • Moleculaire klonaliteitsdiagnostiek van lymfoproliferaties

    Onderscheid maken tussen de aanwezigheid van (mono)klonale dan wel polyklonale populaties van B- of T-lymfocyten. In combinatie met histomorfologische, immunofenotypische en klinische gegevens draagt dit bij tot het vaststellen van het maligne (monoklonale) dan wel reactieve (polyklonale) karakter van de verdachte lymfoproliferatie en daarmee tot een betere diagnose.

    Lees verder ›
  • Mond- of tongulcus ICPC-2: D83; ICD-10: K14;K12

    Een mond- of tongulcus is een oppervlaktedefect van mondslijmvlies of tong met geringe neiging tot genezing.

    Lees verder ›
  • Monoklonale gammopathie/Paraproteïnemie ICPC-2: B99; ICD-10: D89

    Men spreekt van monoklonale gammopathie wanneer in serum of urine intacte monoklonale immunoglobulinen (M-proteïnen = paraproteïnen) of delen daarvan (lichte ketens, zeldzamer zware ketens) worden gevonden.

    Lees verder ›
  • Monoklonale (M-)proteïnen in serum

    Bepaling van de eventuele aanwezigheid van M-proteïnen in serum.

    Lees verder ›
  • Monoklonale (M-)proteïnen in urine

    Vaststellen van monoklonale lichte keten proteïnurie (bence-joneseiwitten).

    Lees verder ›
  • Moraxella catarrhalis

    Moraxella catarrhalis is een gramnegatieve, aerobe diplokok die achtereenvolgens Neisseria catarrhalis en Branhamella catarrhalis genoemd werd alvorens in het genus Moraxella te worden ingedeeld. Andere soorten binnen het genus Moraxella worden in verband gebracht met conjunctivitis.

    Lees verder ›
  • Mucopolysachariden (glycosaminoglycanen, GAG), screening in urine

    Nagaan of bij de patiënt een mucopolysacharidose (bindweefselziekte, verkeerde samenstelling van weefselvocht of van de extracellulaire matrix) aanwezig kan zijn, ofwel cellulaire opslag van mucopolysachariden in verschillende weefsels door een tekort aan een of meer lysosomale enzymen. De overmaat aan opgeslagen mucopolysachariden wordt in de urine uitgescheiden.

    Lees verder ›
  • Multipele sclerose ICPC-2: N86; ICD-10: G35

    Multipele sclerose (MS) is een ziekte van vooral witte stof van het centrale zenuwstelsel. De ziekte wordt gekarakteriseerd door het optreden van verschillende symptomen (visusdaling, dubbelzien, paresthesieën, evenwichtsstoornissen, mictiestoornissen, krachtsverlies) in de tijd. MS begint meestal met exacerbaties (subacuut beginnend en 6-8 weken durend) en remissies. Ook kan er langzaam progressieve neurologische uitval optreden.

    Lees verder ›
  • Myasthenia gravis ICPC-2: N99; ICD-10: G70.0

    Myasthenia gravis is een aandoening die berust op een stoornis in de neuromusculaire transmissie van het willekeurige motorische systeem.

    Lees verder ›
  • Mycobacterium leprae

    Mycobacterium leprae is een zuurvaste staaf met affiniteit voor de schwanncellen. M. leprae kan niet in vitro gekweekt kan worden en heeft in vivo een extreem lage groeisnelheid (verdubbelingstijd van 14 dagen). In geïnfecteerd weefsel zijn ze microscopisch te zien als bundels intracellulair gelegen staafjes en de dikke lipidenenvelop beschermt ze tegen afbraak in macrofagen en vele bactericide middelen.

    Lees verder ›
  • Mycobacterium species

    Naast de obligaat pathogene mycobacteriën behorend tot M. tuberculosis complex zijn er talloze andere soorten mycobacteriën. Een gemeenschappelijke benaming is atypische mycobacteriën en in de Engelstalige literatuur worden ze aangeduid als MOTT (Mycobacteria other than tuberculosis). Kenmerkend voor de hele groep is de bijzondere celwandstructuur met een hoog gehalte aan vetzuren, die verantwoordelijk is voor de zuurvastheid in speciale kleuringen (ZN, auramine). Afhankelijk van de groeisnelheid en pigmentvorming werden de mycobacteriën ingedeeld in vier groepen volgens de classificatie van Runyon. Tegenwoordig berust de indeling vooral op variaties in de 16S ribosomale gensequenties.

    Lees verder ›
  • Mycobacterium tuberculosis-complex

    M. tuberculosis en de genetisch verwante soorten M. bovis en M. africanum vormen samen het M. tuberculosis-complex (MTBC). Deze bacteriën hebben een bijzondere celwandsamenstelling met een hoog gehalte aan bijzondere vetzuren; door deze celwandsamenstelling zijn de bacteriën bestand tegen ontkleuring met zure alcoholoplossingen en daarom worden ze zuurvast genoemd. De bacteriën groeien uitsluitend aeroob en bijzonder langzaam met een delingstijd van 15-20 uur waardoor in het laboratorium groei pas na weken tot maanden wordt waargenomen.

    Lees verder ›
  • Mycoplasma genitalium

    Mycoplasma genitalium wordt gevonden in de tractus genitalis van mannen en vrouwen. De bacterie is uiterst moeilijk te kweken en pas na het beschikbaar komen van DNA-amplificatietests begin jaren negentig van de vorige eeuw is informatie over de pathogene betekenis van deze bacterie beschikbaar gekomen.

    Lees verder ›
  • Mycoplasma pneumoniae

    Mycoplasma pneumoniae wordt gevonden in de luchtwegen van de mens. Zoals alle mycoplasmata heeft deze bacterie geen celwand en kleurt daardoor ook niet aan in de gramkleuring. De bacterie heeft een grote affiniteit voor hechting aan luchtwegepitheel.

    Lees verder ›
  • Myoglobine

    Vaststellen van spierschade en met name risico inschatten op acuut nierfalen.

    Lees verder ›
  • N-acetyl-α-glucosaminidase (EC 3.2.1.50)

    N-acetylglucosaminidase is een van de enzymen die betrokken is bij de afbraak van het glycosaminoglycaan heparansulfaat. Een defect in het N-acetylglucosaminidase leidt tot het sanfilipposyndroom.

    Lees verder ›
  • Natrium

    Vaststellen van hypo- of hypernatriëmie.

    Lees verder ›
  • Nefrotisch syndroom ICPC-2: U88; ICD-10: N08

    Nefrotisch syndroom is een symptomencomplex dat wordt gekenmerkt door oedeem, proteïnurie, hypoalbuminemie en hyperlipidemie. Proteïnurie wordt in dit kader gedefinieerd als eiwituitscheiding in de urine van meer dan 3,5 gram per 24 uur (nefrotische proteïnurie).

    Lees verder ›
  • Neisseria gonorrhoeae

    Neisseria gonorrhoeae is een gramnegatieve diplokok uit de familie van de Neisseriaceae. Andere soorten uit deze familie zijn Neisseria meningitidis (meningokok), en veel meestal apathogene, commensale Neisseria-soorten. N. gonorrhoeae is uitermate gevoelig voor uitdroging. De gonokok is voor zijn groei afhankelijk van de aanwezigheid van complexe groeifactoren en vereist dan ook speciale voedingsbodems voor isolatie.

    Lees verder ›
  • Neisseria meningitidis

    Neisseria meningitidis is een gramnegatieve diplokok uit de familie van de Neisseriaceae. Andere soorten uit deze familie zijn onder andere de gonokok, Neisseria gonorrhoeae en veel meestal apathogene, commensale Neisseria-soorten. Een belangrijke virulentiefactor van de meningokok is het polysacharidekapsel waarvan dertien varianten bekend zijn. De meest voorkomende kapseltypen in Nederland zijn B en C. Andere typen die af en toe worden gezien, zijn A (komt veel voor in Afrika) en W135 (bij Mekkagangers). Binnen de serogroepen is verdere subtypering mogelijk op basis van buitenmembraaneiwitten. Deze typering is vooral voor epidemiologische studies van belang.

    Lees verder ›
  • Neonatale screening

    Alle pasgeborenen in Nederland worden gescreend op aangeboren ziekten via de zogenaamde hielprik.Tussen 72 en 168 uur na de geboorte wordt via deze hielprik een aantal druppels bloed verzameld op een zogenaamd hielpriksetje, dat bestaat uit een strook filtreerpapier en een persoonsidentificatieformulier. Afname gebeurt in het ziekenhuis door verpleegkundigen of medewerkers van het klinisch-chemisch laboratorium, en buiten het ziekenhuis door verloskundigen of door medewerkers van zogenaamde screenteams die onder verantwoordelijkheid van een thuiszorgorganisatie vallen.

    Lees verder ›
  • Neuronspecifiek enolase (NSE)

    Vaststellen tumormarker voor longcarcinoom en bepaalde endocriene tumoren.

    Lees verder ›
  • Acute nierschade ICPC-2: U99; ICD-10: N17

    Ziektebeeld, gekenmerkt door een snelle achteruitgang van de glomerulaire filtratiesnelheid (uren-dagen), zich uitend in een snelle stijging (ten minste 44 µmol/l per dag) van het creatinine in serum of plasma met daarbij meestal een afname van de urineproductie. Voor bijkomende begrippen wordt verwezen naar Nierschade, algemeen.

    Lees verder ›
  • Nierschade ICPC-2: U99; ICD-10: N17;N18

    Aandoening van de nieren, gekenmerkt door een verminderde glomerulaire filtratiesnelheid, zich uitend in een verhoogde creatinineconcentratie in serum of plasma, en/of eiwitverlies met de urine.

    Lees verder ›
  • Chronische nierschade ICPC-2: U99; ICD-10: N18

    Van chronische nierschade (CNS) wordt gesproken als er meer dan 3 maanden sprake is van persisterende albuminurie of persisterende afwijkingen in het urinesediment al dan niet gepaard gaande met een verminderde glomerulaire filtratie, of wanneer sprake is van een verminderde GFR met of zonder aanwijzingen voor nierschade (= persisterende albuminurie of sedimentsafwijkingen).

    Lees verder ›
  • Nierstenen

    Onderzoek van de verkregen urinewegsteen in het kader van het ophelderen van de oorzaak, en het zo nodig instellen van therapie.

    Lees verder ›
  • Nieuwe orale anticoagulantia

    Er zijn een aantal nieuwe anticoagulantia in gebruik aan het komen. Door de Werkgroep NOAC’s van de wetenschappelijke verenigingen (NVVC, NIV, NVN, NOV, VAL/NVKC, NVZA/KNMP) en de Orde van Medisch Specialisten is een leidraad geschreven “Leidraad begeleide introductie nieuwe orale antistollingsmiddelen”. Daarin wordt o.a. aangegeven of, en hoe, de gebruikelijke stollingstests gebruikt kunnen worden om de concentratie en het effect van de NOAC te kunnen vaststellen. In tabelvorm weergegeven zien de invloeden van de Xa remmers apixaban en rivaroxaban en de trombineremmer dabigatran er als volgt uit (zie tabel 1):

    Lees verder ›
  • Nocardia species

    Nocardia species zijn grampositieve, halfzuurvaste aerobe actinomyceten die enige verwantschap hebben met mycobacteriën en Rhodococcus.

    Lees verder ›
  • Non-fermenters

    Non-fermenters is een verzamelnaam voor een groep niet-fermentatieve, aeroob groeiende gramnegatieve staven die regelmatig geïsoleerd worden uit klinische materialen.

    Lees verder ›
  • Norovirus

    Norovirus is een RNA-virus dat tot de familie van de caliciviridae hoort. Norovirus wordt onderverdeeld in genogroepen, in Nederland komt genogroep II het meest voor.

    Lees verder ›
  • Obesitas ICPC-2: T82;T83; ICD-10: E66

    Obesitas wordt gedefinieerd als een body mass-index (gewicht in kg/lengte in meters in het kwadraat [kg/m2]) van 30 of hoger op basis van een toegenomen hoeveelheid lichaamsvet. Bij een Quetelet index (QI) 25-29,9 kg/m2 spreekt men van overgewicht, bij QI > 40 kg/m2 van ziekelijk overgewicht.

    Lees verder ›
  • Obstipatie ICPC-2: D12; ICD-10: K59.0

    Obstipatie is een symptoom, geen ziekte-entiteit. Vanwege de grote variatie in de normale uitdrijving van feces, is het moeilijk om aan te geven wat nu precies onder obstipatie wordt verstaan. Een bruikbare definitie is: een voor de betrokkene abnormaal veranderd defecatiepatroon waarbij te weinig, te harde en/of te moeilijk produceerbare ontlasting wordt geloosd.1

    Lees verder ›
  • Oestradiol

    Bepaling van serumgehalte oestradiol. (Zie bijlage pagina 904, a. Schema samenhang steroïdhormonen.)

    Lees verder ›
  • Onychomycosen ICPC-2: S74; ICD-10: B35.1

    Onychomycosen zijn schimmel- of gistinfecties van de nagel(s).

    Lees verder ›
  • Het rode oog ICPC-2: F02; ICD-10: H57.8

    Een rood oog is een verzamelnaam voor oogklachten met roodheid als algemeen kenmerk. De roodheid kan gelokaliseerd zijn in de conjunctivae en/of de sclerae. Bij roodheid kan het gaan om een onschuldige of visusbedreigende aandoening. Pijn en visusvermindering zijn belangrijke alarmsymptomen.

    Lees verder ›
  • Opiaten

    Vaststellen van gebruik van opiaten.

    Lees verder ›
  • Organische zuren

    Analyse van organische zuren in urine voor het aantonen, follow-up of bevestigen van erfelijke stoornissen in het intermediaire metabolisme.

    Lees verder ›
  • Osmolaliteit

    Meting van de osmolaliteit van serum, urine of zweet.

    Lees verder ›
  • Osmotische fragiliteit van erytrocyten

    Het meten van de osmotische fragiliteit van erytrocyten, dat wil zeggen hun vermogen water op te nemen totdat dit tot lysis van de erytrocyten leidt.

    Lees verder ›
  • Acute osteomyelitis ICPC-2: L70; ICD-10: M86.1

    Osteomyelitis is een ontstekingsproces dat gepaard gaat met botdestructie en wordt veroorzaakt door een micro-organisme. Acute osteomyelitis komt vooral voor bij kinderen en ontwikkelt zich over enkele dagen tot weken, Bij een duur langer dan 10 dagen treedt botnecrose op en dreigt de infectie chronisch te worden. Bij een direct adequate behandeling gaat acute osteomyelitis in minder dan 5% van de gevallen over in een chronische ontsteking.

    Lees verder ›
  • Chronische osteomyelitis ICPC-2: L70; ICD-10: M86.6

    Chronische osteomyelitis is een bot/beenmergontsteking die zich ontwikkelt over maanden tot soms jaren. Kenmerkend zijn het persisteren van micro-organismen, een weinig actieve ontsteking en de aanwezigheid van dood bot (sekwester) en een of meer fistels. Klassiek voor het ziektebeeld zijn episodes van lokale pijn met tekenen van cellulitis, met of zonder koorts, waarbij de klachten verminderen na ontlasting van pus door een fistelopening. Kenmerkend is de slechte genezingstendens en een geprotraheerd beloop.

    Lees verder ›
  • Osteoporose ICPC-2: L95; ICD-10: M80;M81;M82

    Osteoporose is een aandoening van het skelet die wordt gekenmerkt door een lage botmineraaldichtheid en een verlies van de structuur van het bot met als gevolg een grotere breekbaarheid, oftewel een hoger fractuurrisico.1 De meest voorkomende osteoporotische fracturen zijn heup-, wervel- en polsfracturen.

    Lees verder ›
  • Ovariumcarcinoom ICPC-2: X77; ICD-10: C56

    Een ovariumcarcinoom is een maligne tumor uitgaande van het ovarium. Tachtig procent van de ovariumtumoren zijn epitheliaal van oorsprong, zij ontstaan uit het coeloomepitheel, waaruit het kapsel van het ovarium, maar ook de tuba en het peritoneum zijn opgebouwd. Het tubacarcinoom en het extra-ovariële carcinoom van het peritoneum gedragen zich daarom hetzelfde als het ovariumcarcinoom en worden op dezelfde manier behandeld. De kiemcel tumoren, zoals bijvoorbeeld het dysgerminoom en het immatuur teratoom, treden op een veel jongere leeftijd op, meestal rond de 20 jaar. De stromaceltumoren ontstaan uit het stroma van het ovarium. Zij kunnen zowel op jonge als oudere leeftijd ontstaan. De diagnose ovariumcarcinoom kan alleen door histologisch onderzoek worden gesteld. De stadiumindeling wordt gedaan volgens de richtlijnen van de FIGO en is noodzakelijk voor het vaststellen van de juiste behandeling. FIGO-stadium I (het carcinoom is beperkt tot de ovaria), stadium II (uitbreiding in het kleine bekken), stadium III (verspreiding in de buikholte buiten het kleine bekken), stadium IV (metastasen buiten de buikholte). Het stadium wordt veelal chirurgisch vastgesteld, met uitzondering van stadium IV waarbij een CT-scan meestal de aanvullende informatie over de extraperitoneale metastasen geeft.

    Lees verder ›
  • Palpabele mammatumor ICPC-2: X19; ICD-10: N63

    Een palpabele mammatumor is een hoeveelheid weefsel met afwijkende consistentie ten opzichte van het overige mammaweefsel.

    Lees verder ›
  • Pancreaselastase, in feces (p-elastase)

    Onderzoek van de exocriene pancreasfunctie.

    Lees verder ›
  • Pancreatitis ICPC-2: D99; ICD-10: K85;K86

    Pancreatitis is een ontsteking van het pancreas. Van acute pancreatitis kunnen 2 vormen worden onderscheiden, namelijk acute interstitiële (in het algemeen licht en zelflimiterend) en acute necrotiserende pancreatitis (ernstige vorm; de mate van necrose correleert met de ernst van de aanval en de systemische manifestaties).1 Om de ernst van een acute pancreatitis te voorspellen, wordt vaak gebruik gemaakt van classificatiesystemen zoals de APACHE II-score, de Glasgowscore of de Ransoncriteria.2

    Lees verder ›
  • Papillomavirus (HPV)

    Papillomavirussen zijn DNA-virussen en horen tot de familie van de papovaviridae.

    Lees verder ›
  • Para-influenzavirus

    Para-influenzavirussen zijn RNA-virussen en behoren tot de familie van de paramyxoviridae. Er zijn voor de mens drie pathogene typen: para-influenzavirus type I, II en III.

    Lees verder ›
  • Paracoccidioides brasiliensis

    Aantonen van paracoccidioïdomycose met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Paraneoplastische antineuronale antistoffen

    Bepalen van paraneoplastische antineuronale antistoffen in serum/plasma en ruggenmergvocht (liquor).

    Lees verder ›
  • Parathyroïdhormoon in bloed (PTH)

    Bepaling van parathyroïdhormoon (PTH) in plasma.

    Lees verder ›
  • Ziekte van Parkinson ICPC-2: N70; ICD-10: G20;G21;G22

    De ziekte van Parkinson is een progressieve neurodegeneratieve aandoening van het extrapiramidale systeem. De kenmerkende verschijnselen zijn geleidelijk toenemende hypokinesie en bradykinesie, rusttremor, rigiditeit en gestoorde houdingsreflexen met veelal een asymmetrisch klachtenpatroon. Bij een deel van de patiënten treden naast de kenmerkende symptomen ook stoornissen van het autonome zenuwstelsel en van psychische functies op, o.a. samenhangend met verlies van niet-dopaminerge neuronen.

    Lees verder ›
  • Parotiszwelling ICPC-2: D83; ICD-10: K11.1

    Parotiszwelling is een uni- of bilaterale zwelling van de glandula parotidea.

    Lees verder ›
  • Parvovirus B19

    Parvovirus B19 is een DNA-virus en hoort tot de familie van de parvoviridae.

    Lees verder ›
  • Pasteurella multocida

    Pasteurella is een fermentatieve, gramnegatieve bacterie. P. multocida is de soort die het meest gekweekt wordt uit klinische materialen; daarnaast zijn nog andere soorten bekend. In tegenstelling tot de meeste gramnegatieve staven zijn Pasteurellae in het algemeen goed gevoelig voor penicilline.

    Lees verder ›
  • Pediculus humanus var. capitis

    Pediculus humanus var. capitis (hoofdluis) is een ectoparasiet. Dit insect leeft op de behaarde hoofdhuid.

    Lees verder ›
  • Pediculus humanus var. corporis

    Pediculus humanus var. corporis (kleerluis) is een ectoparasiet. Dit insect leeft, anders dan de hoofdluis en schaamluis, op onbehaarde huid en in kleding, maar de kleerluis is verder nauwelijks te onderscheiden van de hoofdluis. De kleerluis kan enkele dagen zonder een bloedmaal. In de kleding blijft het ei tot ongeveer een maand in leven.

    Lees verder ›
  • Pelvic inflammatory disease ICPC-2: X74; ICD-10: N70

    Pelvic inflammatory disease (PID) is een ontsteking in het kleine bekken ten gevolge van een opstijgende infectie vanuit de vagina en de cervix naar het metrium, de tubae en aangrenzende structuren (parametria, peritoneum).

    Lees verder ›
  • As II persoonlijkheidsstoornis ICDC-2: P80; ICD-10: F60;F61;F62;F63;F68;F69

    Een persoonlijkheidsstoornis wordt in de DSM-IV-classificatie beschreven als een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk afwijken van wat binnen de cultuur van de betrokkene gepast is.1 Het patroon is stabiel over langere tijd, en het begin kan worden teruggevoerd tot de adolescentie of de vroege volwassenheid. De stoornis leidt tot aanzienlijke beperkingen binnen persoonlijke en sociale situaties en tot klinisch relevant lijden. De volgende persoonlijkheidsstoornissen worden onderscheiden: cluster A met de excentrieke persoonlijkheidsstoornissen van het paranoïde, het schizoïde en het schizotypische type; cluster B met de dramatische en impulsieve persoonlijkheidsstoornissen van het antisociale, het borderline, het theatrale en het narcistische type, en cluster C met de door angst gekleurde persoonlijkheidsstoornissen van het ontwijkende, het afhankelijke en het obsessieve-compulsieve type.

    Lees verder ›
  • Pijnlijke borsten ICPC-2: X18; ICD-10: N64.4

    Pijn in de borsten (mastodynie, mastalgie) is een symptoom dat vrijwel altijd berust op een goedaardig proces. De klacht is meestal cyclus-gebonden. Bij mastopathie gaan cyclusgebonden pijnklachten gepaard met palpabele mamma-afwijkingen (drukpijnlijke, grofkorrelige klierstructuur, met name in het laterale bovenkwadrant).

    Lees verder ›
  • Pijnlijke tong/mond ICPC-2: D20; ICD-10: K14.6;K13.7

    Een pijnlijk en/of brandend gevoel van de tong of ander gebied in de mond kan bij een aantal orale slijmvliesaandoeningen optreden. Men spreekt van mondbranden bij dubbelzijdige pijn en/of branderig gevoel van de tong en het mondslijmvlies zonder zichtbare afwijkingen. Wanneer de klachten uitsluitend de tong betreffen, wordt ook wel de term tongbranden (glossodynie) gebruikt.

    Lees verder ›
  • Plasminogeenactivatorinhibitor (PAI)

    Bepaling van de activiteit en de eiwitconcentratie van plasminogeenactivatorinhibitor (PAI).

    Lees verder ›
  • Plasmodium species

    Plasmodium species zijn eencellige parasieten (Protozoa) behorende tot de apicomplexa. Tot voor kort waren er vier Plasmodium-soorten bekend als veroorzaker van malaria bij de mens: P. falciparum (malaria tropica), P. vivax en P. ovale (malaria tertiana) en P. malariae (malaria quartana). Recentelijk is daar P. knowlesi bijgekomen, een soort die gewoonlijk bij apen voorkomt maar in Zuidoost-Azië ook bij de mens tot infecties leidt.

    Lees verder ›
  • Pleuravocht

    Pleuravocht is een overmatige vochtophoping tussen de pleura visceralis en pleura parietalis. Op basis van de samenstelling van het vocht wordt onderscheid gemaakt in transsudaat en exsudaat. Ook kan het vocht bestaan uit bloed, pus en chylus.

    Lees verder ›
  • Pneumocystis jirovecii

    Pneumocystis jirovecii (voorheen P. carinii, ook P. jiroveci met een enkele i wordt veel aangetroffen) is een eencellige fungus (gist). Het is niet bekend of P. jirovecii een reservoir heeft buiten de mens.1

    Lees verder ›
  • Pneumonie

    Pneumonie is een ontsteking van het longparenchym.

    Lees verder ›
  • Pneumothorax ICPC-2: R99; ICD-10: J93

    Pneumothorax is de aanwezigheid van gas in de pleuraholte, tussen de pleura parietalis en visceralis.

    Lees verder ›
  • Pokkenvirussen

    Van de familie van de poxviridae kunnen orthopoxvirussen, parapoxvirussen, yatapoxvirussen en molluscipoxvirussen ziekte bij de mens veroorzaken.

    Lees verder ›
  • Polymyalgia rheumatica ICPC-2: L99; ICD-10: M35.3

    Ziekte van de middelbare en oudere patiënt, met als belangrijkste klacht langer dan 4 weken bestaande, door beweging verergerde pijn en ochtendstijfheid in de schouder-, en bekkengordels en in de nekregio. Algemeen ziek zijn en symptomen zoals lichte koorts, anorexie, gewichtsverlies en moeheid komen voor.1

    Lees verder ›
  • Polyneuropathie ICPC-2: N94; ICD-10: G61;G62;G63

    Een polyneuropathie is een symmetrische, veelal chronische aandoening van de perifere zenuwen, die wordt gekenmerkt door sensibele en/of motorische afwijkingen die in de regel distaal meer dan proximaal en aan de benen meer dan aan de armen aanwezig is.

    Lees verder ›
  • Porfyrie ICPC-2: T99; ICD-10: E80

    Porfyrie omvat een groep metabole ziekten, waarbij de synthese van haem is gestoord.

    Lees verder ›
  • Porfyrinen/δ-aminolevulinezuur (ALA)

    Bij verdenking op porfyrie, loodintoxicatie en hereditaire tyrosinemie (zeldzaam). Vaststellen of afwijkingen in het heemmetabolisme passen bij de klachten van de patiënt.

    Lees verder ›
  • Prealbumine

    Bepaling van prealbumine ter evaluatie van de eiwitvoedingsstatus.

    Lees verder ›
  • Preconceptiezorg 1CPC-2: A98; 1CD-10: Z 31.5

    Voorkómen van afwijkingen en ziekten bij moeder en kind door het opsporen en zo mogelijk elimineren van risicofactoren vóór de bevruchting. Preconceptiezorg is bedoeld als primaire preventie.

    Lees verder ›
  • Pregnancy-associated plasma protein-A (PAPP-A)

    Schatting van de kans op downsyndroom, het patausyndroom en/of het edwardssyndroom in het eerste trimester van de zwangerschap. De biochemische test is onderdeel van de kansschattende combinatietest.

    Lees verder ›
  • Prenatale diagnostiek

    Vaststellen van een afwijking in het erfelijk materiaal van het kind tijdens de zwangerschap. Dit onderzoek kan worden aangevraagd indien er sprake is van een verhoogde kans op een bepaalde afwijking welke met prenatale diagnostiek is aan te tonen. In het algemeen zal het gaan om ernstige aangeboren of erfelijke aandoeningen. Indien dit voor de 24e week van de graviditeit gebeurt, bestaat er voor de aanstaande ouders een optie tot een geïnduceerde abortus. Het betreft hier meestal niet te behandelen aandoeningen die leiden tot een ernstige handicap.

    Lees verder ›
  • Presymptomatisch DNA-onderzoek

    Vaststellen of bij een persoon die op dit moment gezond is, zich later in het leven een erfelijke ziekte zal openbaren. Door dit onderzoek wordt de leeftijd waarop de diagnose wordt gesteld aanzienlijk vervroegd. Binnen de klinisch-genetische praktijk wordt deze vorm van onderzoek voornamelijk aangevraagd bij erfelijke aandoeningen met een autosomaal dominant overervingspatroon die zich op volwassen leeftijd openbaren. De voornaamste groepen aandoeningen waarbij op dit moment presymptomatisch DNA-onderzoek plaats vindt zijn erfelijke vormen van kanker (bijvoorbeeld mammacarcinoom en coloncarcinoom), erfelijke neurodegeneratieve aandoeningen (bijvoorbeeld de ziekte van Huntington) en erfelijke neuromusculaire aandoeningen (met name myotone dystrofie).

    Lees verder ›
  • Prikkelbaredarmsyndroom ICPC-2: D93; ICD-10: K58

    Het prikkelbaredarmsyndroom (irritable bowel syndrome) kan aan de hand van de zogenaamde ‘Rome-criteria’ gedefinieerd worden als de aanwezigheid gedurende ten minste 12 weken (hoeft niet opeenvolgend) tijdens de voorafgaande 12 maanden van buikpijn of een onaangenaam gevoel in de buik, dat niet verklaard kan worden door biochemische of structurele afwijkingen en waarbij ten minste 2 van de volgende 3 kenmerken aanwezig zijn:1

    Lees verder ›
  • Primaire immunodeficiënties

    Het vaststellen van een primaire immunodeficiëntie bij voorkeur met identificatie van het genetische defect

    Lees verder ›
  • Progesteron

    Meting van het progesterongehalte.

    Lees verder ›
  • Prolactine (PRL)

    Het bepalen van prolactine in bloed.

    Lees verder ›
  • Prostaatcarcinoom ICPC-2: Y77; ICD-10: C61

    Maligniteit, uitgaande van de prostaat. Bij prostaatcarcinomen gaat het in 95% om adenocarcinoom, in de overige 5% om plaveiselcel- of overgangsepitheelcarcinoom, dat ontstaat uit de periurethrale klierbuizen.

    Lees verder ›
  • Prostaatspecifiek antigeen in bloed (PSA)

    Bij verdenking op prostaatcarcinoom, in combinatie met rectaal onderzoek (DRE), vaststellen bij welke patiënten prostaatbiopsie geïndiceerd is.

    Lees verder ›
  • Proteïne C

    Bepaling van een tekort aan proteïne C.

    Lees verder ›
  • Proteïne S

    Bepaling van een tekort aan proteïne S.

    Lees verder ›
  • Proteïnurie ICPC-2: U98; ICD-10: R80;N39.1

    Proteïnurie betekent een abnormale eiwituitscheiding in de urine, dat wil zeggen meer dan 150 mg per 24 uur. Deze tekst beperkt zich tot de niet-nefrotische proteïnurie, dat wil zeggen een eiwituitscheiding tussen de 150 mg en 3,5 g per 24 uur.

    Lees verder ›
  • Protrombinetijd (PT)

    Screeningsonderzoek van de extrinsieke en gemeenschappelijke routes van het stollingssysteem.

    Lees verder ›
  • Pruritus ani ICPC-2: D05; ICD-10: L29.0;L29.3

    Pruritus ani is jeuk rond de anus.

    Lees verder ›
  • Gegeneraliseerd pruritus ICPC-2: S02; ICD-10: L29.8;L29.9

    Pruritus (jeuk) is een sensatie in de huid, die leidt tot krabben en wrijven. Een onderscheid wordt gemaakt in pruritus met, en pruritus zonder een primaire huidaandoening.

    Lees verder ›
  • Pseudomonas aeruginosa

    Pseudomonas aeruginosa is een aerobe, gepigmenteerde gramnegatieve staaf. De bacterie groeit gemakkelijk op de normale bacteriologische media, is resistent tegen veel antibiotica en ontwikkelt makkelijk resistentie tegen vrijwel alle antibiotica waarvoor de bacterie normaliter gevoelig is tijdens behandeling. Sommige stammen zijn extreem mucoïd door de vorming van kapsel.

    Lees verder ›
  • Pthirus pubis

    Pthirus pubis (schaamluis) is een ectoparasiet. Dit insect is nauw verwant aan het geslacht Pediculus, waartoe ook hoofdluis en kledingluis behoren, maar is morfologisch vrij eenvoudig van deze twee andere soorten te onderscheiden. De schaamluis leeft met name op warme en vochtige plaatsen van het menselijke lichaam, vooral op schaamhaar en okselhaar, waar ze zich enkele malen per dag voeden met bloed. Bij uitzondering worden ze ook gevonden in wenkbrauwen of baard en bij kinderen op de wimpers. Bij infestatie van de schaamstreek wordt veelal gesproken over pthiriasis of pediculosis pubis, terwijl infestatie van de oogwimpers ook als pthiriasis palpebrarum bekendstaat.

    Lees verder ›
  • Pubertas praecox bij jongens ICPC-2: T99; ICD-10: E30.1

    Pubertas praecox bij jongens wordt gekenmerkt door vergroting van testes en penis vóór de 9e verjaardag. Pubarche is het begin van pubisbeharing.

    Lees verder ›
  • Pubertas praecox bij meisjes ICPC-2: T99; ICD-10: E30.1

    Pubertas praecox bij meisjes is gedefinieerd als borstontwikkeling voor de 8e verjaardag of de aanvang van de menses voor de 10e verjaardag. Thelarche is het begin van mammaontwikkeling, pubarche het begin van pubisbeharing, menarche het begin van de menstruaties.

    Lees verder ›
  • Purines en pyrimidines

    Het bepalen van het purine- en pyrimidinemetabolietprofiel in lichaamsvloeistoffen om zowel primaire defecten (erfelijke metabole ziekten) als secundaire verstoringen in deze metabole paden te detecteren.

    Lees verder ›
  • Pyelonefritis bij volwassenen ICPC-2: U70; ICD-10: N12

    Pyelonefritis is een ontsteking van één of beide nieren, veroorzaakt door bacteriën. Zowel het nierparenchym als de calices, nierbekken en ureters zijn bij dit proces betrokken.

    Lees verder ›
  • Pylorushypertrofie bij pasgeborenen ICPC-2: D81; ICD-10: Q40.0

    Pylorushypertrofie is een verdikking van de kringspier van de maag, leidend tot vernauwing van de maaguitgang. Daardoor ontstaat een maagledigingsstoornis die gepaard gaat met niet-gallig, krachtig braken (projectielbraken).

    Lees verder ›
  • Pyrosis ICPC-2: D03; ICD-10: R12

    Pyrosis (zuurbranden) is een gevoel van retrosternale warmte of branderigheid met karakteristiek de neiging tot opstijgen in de richting van de keel. Zuurbranden als dominante klacht is het karakteristiekste symptoom van gastro-oesofageale refluxziekte. Zuurbranden komt vaak voor tijdens de zwangerschap zonder verdere afwijkingen. Ook bij peptische ulcera en functionele dyspeptische klachten komt zuurbranden, naast andere klachten, vaak voor.

    Lees verder ›
  • Rabiësvirus

    Rabiësvirus is een RNA-virus en behoort tot de familie van de rhabdoviridae.

    Lees verder ›
  • Raynaud-fenomeen ICPC-2: K92; ICD-10: I73.0

    Het fenomeen van Raynaud wordt gekenmerkt door een aanvalsgewijs optredende tri- of bifasische verkleuring van de acra, meestal de vingers (bleekheid en/of cyanose en roodheid), optredend door een abnormale vasculaire respons op blootstelling aan koude of bij emoties. Tijdens de kleurveranderingen zijn de acra koud, is de sensibiliteit verminderd en kan pijn optreden. Na opwarming duurt de ischemische fase ongeveer 15-20 minuten. Hierna veroorzaakt de reperfusie de erythemateuze fase.

    Lees verder ›
  • Zichtbaar rectaal bloedverlies ICPC-2: D16; ICD-10: K62.5

    Rood bloedverlies per anum/rectum (hematochezie) kan zich presenteren als acuut massaal bloedverlies, als bloed door of op de ontlasting en als bloed aan het toiletpapier.

    Lees verder ›
  • Reductie-eigenschappen van urine

    Nagaan of in de urine van een patiënt stoffen aanwezig zijn die reducerende eigenschappen hebben. Daarbij wordt gedacht aan de aanwezigheid van gemakkelijk oxideerbare koolhydraten. De aanwezigheid kan duiden op een afwijking in het koolhydraatmechanisme.

    Lees verder ›
  • Referentiewaarden medische laboratoriumdiagnostiek

    Binnen de referentiewaarden vallen 95% van de analyseresultaten, verkregen bij onderzoek van een gezonde bevolkingsgroep, meestal (jonge) volwassenen. Dat wil zeggen dat 2,5% van de gezonde personen (1 op 40) een lagere en 2,5% van de personen (ook 1 op 40) een hogere uitslag heeft, al zal zo’n ‘afwijkende’ uitslag meestal niet ver buiten de referentiewaarden liggen. Voor de statistische achtergronden van de referentiewaarden wordt verwezen naar de specialistische literatuur. Om een indruk te krijgen van de kans dat de uitslag van een laboratoriumonderzoek ‘pluis’ of ‘niet pluis’ is kan deze niet alleen globaal worden vergeleken met een eventuele eerdere uitslag, maar ook met bijpassende referentiewaarden. Daarbij moet de beoordelaar rekening houden met testeigenschappen zoals de gevoeligheid en specificiteit voor de betreffende aandoening. Zie hiervoor de Inleiding.

    Lees verder ›
  • Renine

    Evaluatie van de activiteit van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS).

    Lees verder ›
  • Respiratoir syncytiaal virus (RSV)

    RSV is een enkelstrengs RNA-virus uit de familie der Paramyxoviridae. Wanneer het virus gekweekt wordt dan ontstaan er als gevolg van fusie van geïnfecteerde cellen syncytia, vandaar de naam.

    Lees verder ›
  • Respiratoire virussen

    In keeluitstrijken, keelspoelsel of nasofaryngeaal spoelsel (nasofarynxaspiraat) kunnen heel veel virussen aangetoond worden. Een aantal van deze virussen veroorzaakt lokale niet-specifiek respiratoire infecties (bijvoorbeeld herpes simplex), een aantal veroorzaakt veel meer gedissemineerde infecties (zoals mazelen) maar de grootste groep van virussen veroorzaakt respiratoire virusinfecties. Van deze virussen veroorzaakt een groep bovensteluchtweginfecties, de andere bronchiolitis, weer een andere alveolitis met een pneumonie. De virussen komen op heel wisselende tijdstippen in het jaar voor. De virussen zijn niet altijd even ziekmakend voor elke patiëntengroep. Soms zijn jonge kinderen ontvankelijker, een andere keer vooral mensen met een verminderde afweer. Soms geven virussen als onderdeel van een gedissemineerde infectie luchtwegpathologie (bijvoorbeeld waterpokken). Meest gebruikelijk is dat een laboratorium diagnostiek groepsgewijs aanbiedt, gebaseerd op een onderverdeling in klinische vraagstelling of patiëntengroep.

    Lees verder ›
  • Resusbloedgroepen

    Bepalen van de resusbloedgroepen.

    Lees verder ›
  • Retentio testis ICPC-2: Y83; ICD-10: Q53

    Retentio testis is het niet of onvoldoende ingedaald zijn van de testis in het scrotum. Een niet ingedaalde-testis kan abdominaal (cryptorchisme), in het liesgebied of ectopisch (buiten de route van de normale testisindaling) zijn gelokaliseerd.

    Lees verder ›
  • Reticulocyten

    Reticulocyten zijn de voorlopers van erytrocyten. Het tellen van reticulocyten in het perifere bloed geeft op een eenvoudige manier een aanwijzing over de aanmaak van rode cellen in het beenmerg. Bij een verhoogde aanmaak van erytrocyten neemt het aantal reticulocyten toe. Het aantal reticulocyten is dus een maat voor de activiteit van de erytropoëse.

    Lees verder ›
  • Reumafactoren (RF)

    Vaststellen reumafactoren in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Reumatoïde artritis ICPC-2: L88; ICD-10: M05;M06;M08

    Reumatoïde artritis (RA): chronische inflammatoire gewrichtsaandoening, waarbij (meestal) symmetrische zwelling van kleine hand- en voetgewrichten op de voorgrond staat; het ziektebeeld kan gepaard gaan met extra-articulaire verschijnselen.

    Lees verder ›
  • Rickettsia en Ehrlichia

    Rickettsia en Ehrlichia zijn intracellulaire gramnegatieve bacteriën. Kenmerkend voor deze pathogenen is dat ze door artropoden (luizen, vlooien, teken en mijten) worden overgebracht tussen de verschillende gastheren. De voornaamste soorten die de mens infecteren, worden ingedeeld in de volgende groepen:

    Lees verder ›
  • Rinovirussen

    Rinovirussen zijn RNA-virussen en behoren tot de familie van de picornaviridae.

    Lees verder ›
  • Rotavirus

    Rotavirus is een dubbelstrengs RNA-virus en behoort tot de familie van de reoviridae.

    Lees verder ›
  • Rubellavirus

    Rubellavirus is een RNA-virus en hoort tot de familie van de togaviridae.

    Lees verder ›
  • S-100B in serum

    Merker voor de follow-up van patiënten met maligne melanoom en marker voor cerebrale schade.

    Lees verder ›
  • SCC-antigeen (Squamous cell carcinoma-antigeen)

    Postoperatieve follow-up bij cervixcarcinoom en beoordeling van het effect van chemo- en/of radiotherapie.

    Lees verder ›
  • Salmonella species

    Salmonella is een facultatief anaerobe gramnegatieve bacterie, behorend tot de familie der Enterobacteriaceae. De bacterie is in staat om na fagocytose te overleven in macrofagen. De poging van het lichaam om S. typhi (hieruit) te elimineren, met name via het cellulaire deel van het immuunsysteem met de productie van allerlei cytokines, veroorzaakt een necrotiserende ontstekingsreactie van de lymfoïde weefsels in de buikholte (mesenteriale lymfeknopen, peyerplaques). Daardoor ontstaan soms complicaties zoals bloedingen of perforaties in (de buurt van) de peyerplaques.

    Lees verder ›
  • Sapovirus

    Sapovirus is een RNA-virus en hoort net als het norovirus tot de caliciviridae.

    Lees verder ›
  • Sarcoïdose ICPC-2: B99; ICD-10: D86

    Sarcoïdose (= ziekte van Besnier-Boeck-Schaumann) is een systeemaandoening, die wordt gekarakteriseerd door niet-verkazende granulomen in de aangetaste organen.

    Lees verder ›
  • Sarcoptes scabiei

    Sarcoptes scabei is een ectoparasiet, behorende tot de mijten, die op de menselijke huid leeft.

    Lees verder ›
  • Scabiës ICPC-2: S72; ICD-10: B86

    Scabiës (schurft) is een besmettelijke, jeukende, parasitaire huidziekte, veroorzaakt door Sarcoptes scabiei humanis (schurftmijt). Scabiës wordt gekenmerkt door gangetjes die pathognomonisch zijn, een polymorfe huidafwijking die bestaat uit papels, papulovesikels, pustels, crustae en krabeffecten. Bij patiënten die immunogecompromitteerd zijn en patiënten die niet kunnen krabben of geen jeuk kunnen voelen ten gevolge van neurologische of psychiatrische aandoeningen kan S. scabiei een ernstige dermatologische aandoening veroorzaken die scabies crustosa of scabies norvegica wordt genoemd. Deze vorm van scabiës is besmettelijk. De mijten vermeerderen zich over het gehele lichaam. In de korsten worden duizenden mijten aangetroffen.

    Lees verder ›
  • Schedeltrauma ICPC-2: N80; ICD-10: S06;S07

    Het schedel-hersenletsel (trauma capitis) kan worden onderverdeeld in lichte en (matig) ernstige schedel-hersenletsels.1

    Lees verder ›
  • Ziekte van Scheuermann ICPC-2: L94; ICD-10: M42.0

    De ziekte van Scheuermann is een groeistoornis van de wervelkolom die gewoonlijk in de puberteit begint, tijdens de adolescentie toeneemt en stopt als het skelet is uitgegroeid.1 De thorac(olumb)ale ziekte van Scheuermann presenteert zich doorgaans als een houdingsprobleem in de puberteit/adolescentie (juveniele kyfose).

    Lees verder ›
  • Vergroot schildklier ICPC-2: T81; ICD-10: E04

    Een schildkliervergroting of struma kan uninodulair, multinodulair of diffuus zijn.

    Lees verder ›
  • Schildklierautoantistoffen

    Differentiaaldiagnostiek van auto-immuunhypothyreoïdie en hyperthyreoïdie

    Lees verder ›
  • Schistosoma species

    Schistosoma is een platworm (Platyhelminthes) behorende tot de groep van botten (Trematoda). Er zijn vijf soorten die voor de mens van belang zijn, waarvan S. mansoni en S. haematobium relatief het meeste voorkomen.

    Lees verder ›
  • Schizofrenie ICPC-2: P72; ICD-10: F20/F21/F22/F24/F25/F28

    De klinische symptomen van schizofrenie worden doorgaans in drie categorieën ingedeeld:

    Lees verder ›
  • Intrinsieke schouderklachten ICPC-2: L08; ICD-10: M25.4;M25.5;M25.6;(M75)

    Onder schouderklachten wordt verstaan pijn in rust of bij bewegen van de bovenarm in een (deel van het) gebied dat loopt vanaf de basis van de nek tot aan de elleboog. Aandoeningen die hun oorsprong hebben in de structuren van en rond het glenohumerale gewricht worden intrinsieke schouderaandoeningen genoemd.

    Lees verder ›
  • Scrotale zwelling ICPC-2: Y05; ICD-10: N50.8

    Een acuut of geleidelijk ontstane zwelling van het scrotum met of zonder klachten. ‘Torsio testis’ wordt in een afzonderlijke klinische probleemstelling besproken.

    Lees verder ›
  • Semenanalyse

    Een semenanalyse wordt uitgevoerd in het kader van een oriënterend fertiliteitsonderzoek, dat zowel gericht is op het opsporen van de oorzaken van subfertiliteit als het bepalen van de kans op een spontane zwangerschap.1 Semenanalyses in het kader van behandeling van subfertiliteit (bijvoorbeeld intra-uteriene inseminatie (IUI),2 in-vitrofertilisatie (ivf) of intracytoplasmatische sperma-injectie (ICSI)) of ter controle van een vasectomie/vasovasostomie3 worden buiten beschouwing gelaten, evenals analyses en bewerkingen van semen dat verkregen is na retrograde ejaculatie, elektro- of vibro-ejaculatie.

    Lees verder ›
  • Serotonine en de metaboliet 5-hydroxy-3-indolazijnzuur (5-HIAA)

    Bepaling van serotonine in het bloed en/of van 5-hydroxy-3-indolazijnzuur (5-HIAA) in de urine.

    Lees verder ›
  • Shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC)

    Shigatoxine-producerende Escherichia coli (STEC) is een enteropathogene E. coli. STEC veroorzaakt diarree op basis van de vorming van toxines die sterk lijken op de toxines die door Shigella geproduceerd worden (SLT1 en SLT2): deze toxines werden eerder ook aangeduid als verotoxine, vandaar de oude naam ‘verotoxineproducerende E. coli’. Vooral stammen met serotype O157:H7, die verschilden van de gewone E. coli in omzetting van sorbitol, waren bekend om de productie van deze toxine. Later is gebleken dat ook stammen uit andere serogroepen deze toxines kunnen produceren.

    Lees verder ›
  • Shigella species

    Shigella is een facultatief anaerobe gramnegatieve bacterie behorend tot de familie der Enterobacteriaceae. Binnen dit genus is een viertal soorten bekend: S. dysenteriae, S. flexneri, S. boydii en S. sonnei. Deze soorten en de subtypen binnen elke soort zijn van elkaar te onderscheiden op basis van biochemische kenmerken en verschillen in O-antigenen. Shigella is overigens zeer nauw verwant aan E. coli. Resistentie tegen verschillende antibiotica komt veelvuldig voor bij Shigella.

    Lees verder ›
  • Sikkelceltest

    Het bevestigen van de veronderstelde HbS-variant voor diagnostiek en preventie van hemoglobinopathie. Het voorkomen van narcose-incidenten bij niet-gediagnosticeerde dragers.1

    Lees verder ›
  • Sinusitis ICPC-2: R75; ICD-10: J01;J32

    Sinusitis is een ontsteking van de neusbijholten; meestal betreft het tenminste de sinus maxillaris. Dit kan samengaan met ontsteking van de sinus ethmoïdalis, frontalis en/of sphenoïdalis. Acute sinusitis wordt gekenmerkt door verdikking van de slijmvliesbekleding en overmatig secreet in de sinus. Het is in principe een spontaan genezende aandoening. Twee derde van de patiënten is in 10 dagen hersteld, vrijwel iedereen na 4 weken.1 Roken kan de genezing vertragen. Er is sprake van chronische sinusitis indien de aandoening ten minste 6 maanden duurt. Deze situatie wordt gekenmerkt door structurele veranderingen van de sinusslijmvliezen, soms met secreet in de sinus.

    Lees verder ›
  • Slechthorendheid ICPC-2: H86; ICD-10: H91

    Een verminderde waarneming van geluid en minder verstaan van spraak.1

    Lees verder ›
  • Soluble IL-2-receptor

    Bepalen van lymfocytenactiviteit, met name T-lymfocyten.

    Lees verder ›
  • Spondylitis ankylopoetica ICPC-2: L78; ICD-10: M45

    Spondylitis ankylopoetica, ziekte van Bechterew, is een chronische systemische inflammatoire reumatische aandoening van de sacro-iliacale gewrichten en de wervelkolom.1

    Lees verder ›
  • Sporenelementen

    Vaststellen van de concentratie van sporenelementen in bloed en urine.

    Lees verder ›
  • Sporothrix schenckii

    Aantonen van Sporothrix schenckii met kweek en serologie.

    Lees verder ›
  • Staphylococcus aureus

    Staphylococcus aureus is een grampositieve bacterie die zijn naam dankt aan de groei in clusters of trossen (σταφιλη = druiventros). De bacterie is in staat een groot aantal virulentiefactoren te produceren die een belangrijke rol spelen bij infecties zoals kapselpolysachariden, hemolysines en cytotoxines, diverse enzymen als coagulase, DNase en protease en oppervlakte-eiwitten als proteïne A.

    Lees verder ›
  • Staphylococcus species

    Stafylokokken anders dan S. aureus worden vaak aangeduid als coagulasenegatieve stafylokokken (CNS). Er zijn 32 soorten bekend waarvan ongeveer de helft voorkomt als commensaal bij de mens op de huid en slijmvliezen. De pathogene betekenis van de coagulasenegatieve stafylokokken is veel geringer is dan die van S. aureus; toch worden infecties door deze bacteriën in toenemende mate gezien. Antibioticaresistentie wordt bij coagulasenegatieve stafylokokken die geïsoleerd worden uit klinische materialen veel vaker gezien dan bij S. aureus.

    Lees verder ›
  • Steroïdprofiel in urine

    Doel van de bepaling van het profiel van de steroïdhormonen in urine is inzicht te krijgen in de productie van androgenen door de bijnieren. Het steroïdprofiel kan van nut zijn bij complexe klinische vraagstellingen waarbij men meer informatie moet hebben dan de concentraties van enkele hormonen op een bepaald moment van de dag.

    Lees verder ›
  • Stollingsfactoren

    Onderzoek naar de stolfactoractiviteit van specifieke stolfactoren van het stollingssysteem.

    Lees verder ›
  • Streptobacillus moniliformis of Spirillum minus

    Streptobacillus moniliformis is een micro-aerofiele, zeer pleiomorfe kleine gramnegatieve staaf.

    Lees verder ›
  • Streptococcus pneumoniae, pneumokok

    Streptococcus pneumoniae is een gekapselde diplokok. Op basis van de polysachariden in het kapsel worden negentig verschillende serotypen onderscheiden.

    Lees verder ›
  • Stridor ICPC-2: R04; ICD-10: R06.1

    Stridor is een hoorbare ademhaling tijdens inspiratie ten gevolge van een vernauwing in de hogere luchtwegen (boven de apertura thoracis).

    Lees verder ›
  • Strongyloides stercoralis

    Strongyloides stercoralis is een rondworm (Nematoda) en wordt gerekend tot de groep van grondnematoden.

    Lees verder ›
  • Stuitligging ICPC-2: W84; ICD-10: O32.1

    Een stuitligging is een foetale ligging, waarbij het foetale caput in fundo ligt en het voorliggend deel wordt gevormd door stuit en/of voeten.

    Lees verder ›
  • Subfertiliteit bij de man ICPC-2: Y10; ICD-10: N46

    Subfertiliteit wordt omschreven als het niet tot stand komen van een zwangerschap na minstens 1 jaar onbeschermde, op conceptie gerichte, coïtus.1 Hoewel bij het fertiliteitsonderzoek altijd beide partners betrokken dienen te worden, beperkt deze tekst zich tot de diagnostiek bij de man.

    Lees verder ›
  • Subfertiliteit bij de vrouw ICPC-2: ICPC-2: W15; ICD-10: N97

    Infertiliteit: onvermogen tot voortplanting. Subfertiliteit: het gedurende meer dan 12 maanden uitblijven van een zwangerschap bij onbeschermde, op conceptie gerichte coïtus. Echte infertiliteit is zeldzaam. Sommigen voegen aan de definitie van subfertiliteit toe: bij een regelmatige cyclus. Bij een onregelmatige cyclus zal men, afhankelijk van de ernst van de cyclusstoornis, vaak eerder met onderzoek starten. Van primaire subfertiliteit bij de vrouw is sprake indien zij niet eerder zwanger is geweest, van secundaire indien zij wel ooit zwanger was, ook indien deze zwangerschap niet tot de geboorte van een levend kind heeft geleid. Van primaire subfertiliteit bij de man is sprake indien hij niet eerder een zwangerschap tot stand heeft gebracht, van secundaire indien dat wel zo is.1

    Lees verder ›
  • Suikerabsorptietest

    De suikerabsorptietest wordt gebruikt voor het onderzoek van de darmdoorlaatbaarheid bij enteropathie en ontstekingsprocessen van de darmwand. Door meting van de mate van diffusie door de darmwand van twee niet-absorbeerbare suikers van verschillende moleculegrootte kan een indruk worden gekregen van de barrièrefunctie en het oppervlak van de darmwand.

    Lees verder ›
  • Syncope ICPC-2: A06; ICD-10: R55

    Syncope (een flauwte) is een specifieke vorm van een wegraking waarbij plotseling, kortdurend bewustzijnsverlies optreedt berustend op afname van de bloedvoorziening van de hersenen. Een syncope gaat gepaard met spierverslapping, waardoor de patiënt valt wanneer hij staat of zit.1-3

    Lees verder ›
  • Taenia saginata

    Taenia saginata is een platworm (Platyhelminthes). Zoals de naam suggereert, is het een lintvormige, platte worm die bestaat uit een kop (scolex) met daarachter segmenten (proglottiden), waarin de eieren rijpen en die achter aan de worm loslaten. Deze proglottiden zijn plat, rechthoekig, enigszins beweeglijk en enkele millimeters groot. De diagnose komt men meestal op het spoor door het bij toeval vinden van proglottiden in feces. De mens is de hoofdgastheer (worm leeft in de darm) en het rund de tussengastheer (worm kapselt zich in spierweefsel in). Besmetting treedt op door het consumeren van onvoldoende verhit rundvlees van besmette koeien.

    Lees verder ›
  • Taenia solium

    Taenia solium is een platworm (Platyhelminthes), behorende tot de groep van lintwormen (Cestoda). Zoals de naam suggereert is het een lintvormige, platte worm die bestaat uit een kop (scolex) met daarachter segmenten (proglottiden), waarin de eieren rijpen en die achter aan de worm loslaten. Deze proglottiden zijn plat en rechthoekig en in principe iets kleiner en minder beweeglijk dan die van Taenia saginata. De mens is de hoofdgastheer (worm leeft in de darm) en het varken de tussengastheer (worm kapselt zich in spierweefsel in). Besmetting treedt op door het consumeren van onvoldoende verhit varkensvlees van besmette varkens. In tegenstelling tot T. saginata, kan bij T. solium de mens tevens tussengastheer zijn. Dit gebeurt bij orale opname van de T. solium-eieren of de rijpe proglottiden. Hierbij ontstaan cysticerci (blaaswormen) op verschillende plaatsen in het lichaam, zoals in de spieren, de subcutis, de ogen en de hersenen. In de hersenen kan dit tot ernstige neurologische verschijnselen leiden, aangeduid als neurocysticercose. Ook enkele andere (zeer zeldzame) lintwormsoorten kunnen cysticercose geven, alleen niet T. saginata.

    Lees verder ›
  • Tepeluitvloed ICPC-2: X20; ICD-10: N64.5

    Men spreekt van tepeluitvloed als er secretie van vocht, anders dan melk, uit de tepel plaatsvindt. Dit kan uni- of bilateraal voorkomen. De kleur kan variabel zijn: bloederig, bruin, helder, sereus, serosanguinolent, gelig, groen, blauw, grijs. Men spreekt van galactorroe als er uitvloed van melk of melkachtig vocht is, komend vanuit een of beide borsten, meestal bilateraal en vanuit meerdere melkgangen. Galactorroe moet worden onderscheiden van (pathologische) tepeluitvloed (zie Galactorroe).

    Lees verder ›
  • Testosteron

    Evaluatie van de androgeenstatus.

    Lees verder ›
  • Thiopurine S-methyltransferase (TPMT)

    Het doel van de TPMT-analyse is op basis van informatie verkregen uit een enzymactiviteitsmeting, dan wel uit een DNA-analyse, het risico in te schatten op het optreden van bijwerkingen bij 6-mercaptopurine- of azathioprinebehandeling.

    Lees verder ›
  • Thyreoglobuline (Tg)

    Bepaling van thyreoglobuline (Tg).

    Lees verder ›
  • Thyreotropin-releasing hormone-test (TRH)

    Meting van de respons van prolactine (PRL), humaan groeihormoon (hGH), thyroïdstimulerend hormoon (TSH) op toediening van TRH ter evaluatie van de hypofysefunctie.

    Lees verder ›
  • Thyroïdstimulerend hormoon (TSH)

    Bepaling van thyroïdstimulerend hormoon (TSH) in serum of plasma bij onderzoek naar het functioneren van de schildklier.

    Lees verder ›
  • Thyroxinebindend globuline (TBG)

    Meting van thyroxinebindend globuline (TBG) in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Tick-borne encefalitis (TBE-)virus

    Tick-borne-encefalitisvirussen behoren tot de familie van de flaviviridae.

    Lees verder ›
  • Tinnitus/Oorsuizen ICPC-2: H03; ICD-10: H93.1

    Tinnitus of oorsuizen is het waarnemen van een geluid in het oor of het hoofd zonder evidente externe geluidsstimulus.

    Lees verder ›
  • TmP/GFR

    Bepalen van de maximale tubulaire terugresorptie voor fosfaat (TmP) gestandaardiseerd voor het aantal werkzame nefronen; dit aantal is gerelateerd aan de glomerulaire filtratiesnelheid (uitgedrukt als TmP/GFR).

    Lees verder ›
  • Torsio testis ICPC-2: Y99; ICD-10: N44

    Een spontane plotselinge draaiing van de testis om de funiculus spermaticus (zaadstreng), met als gevolg afsluiting van de bloedvoorziening naar de testis is een ‘torsio testis’. Het klinisch beeld bestaat uit acute pijn en zwelling van het scrotum.

    Lees verder ›
  • Totaaleiwit in liquor

    Vaststellen van verhoogde eiwitconcentratie in liquor.

    Lees verder ›
  • Totaaleiwit in serum/plasma

    Bepaling van totaaleiwit in serum/plasma.

    Lees verder ›
  • Toxocara

    Toxocara canis en Toxocara cati zijn respectievelijk de honden- en kattenspoelworm. Pups komen vaak al besmet ter wereld, kittens raken besmet via de moedermelk. Beide scheiden grote aantallen eieren uit die na twee tot zes weken infectieus zijn. Volwassen dieren zijn ook vaak besmet, maar scheiden veel kleinere aantallen eieren uit. Indien infectieuze eieren door de mens worden opgegeten. komen ze uit, verlaten het maag-darmkanaal, en kunnen zich door de weefsels verplaatsen zonder uit te groeien tot volwassen wormen (viscerale larva migrans). Toxocara-infecties verlopen echter mild of symptoomloos zolang het aantal parasieten gering blijft. Toxocara canis is de voor de mens meest pathogene soort.

    Lees verder ›
  • Toxoplasma gondii

    Toxoplasma gondii is een eencellige parasiet (Protozoa) die obligaat intracellulair leeft. Bij katachtigen leeft de parasiet in de darmwand, waarbij oöcysten via de ontlasting worden uitgescheiden, die na enige tijd rijpen op de grond infectieus worden. Bij andere diersoorten, waaronder ook de mens, blijft de parasiet na orale opname niet in de darm maar invadeert het weefsel en vormt daar uiteindelijk weefselcysten. Deze weefselcysten kunnen overal in het lichaam worden gevonden, maar worden voornamelijk gezien in hart, hersenen, skeletspieren en longen. Naast contact met kattenuitwerpselen (tuinieren) is het eten van onvoldoende verhit vlees met weefselcysten een belangrijke besmettingsbron. Ziekteverschijnselen bij primo-infectie zijn mild, griepachtig met eventueel lymfadenitis. Bij immunosuppressie kunnen de parasieten reactiveren, met name in het centraal zenuwstelsel en in het oog. Bij een primo-infectie tijdens de zwangerschap kan congenitale toxoplasmose optreden. De infectie kan ook door middel van orgaantransplantatie worden overgebracht.

    Lees verder ›
  • Transglutaminase-2-antistoffen (TG2A)

    Het serologisch opsporen van actieve coeliakie.

    Lees verder ›
  • Treponema pallidum

    Treponema pallidum is een spirocheet die niet in vitro gekweekt kan worden. Naast T. pallidum ssp pallidum, de verwekker van syfilis, zijn er nog enkele nauw verwante soorten die eveneens pathogeen zijn voor de mens maar die in Nederland alleen gezien worden als importziekte: T. pallidum ssp pertenue (yaws), T. pallidum ssp endemicum (bejel, endemische syfilis) en T. carateum (pinta).

    Lees verder ›
  • Tri-joodthyronine (T3)

    Aanvullend onderzoek ter bevestiging hyperthyreoïdie, wanneer de normale diagnostiek niet voldoet.

    Lees verder ›
  • Trichinella spiralis

    Trichinella spiralis is een rondworm (Nematoda). Bij ingestie ontstaan invasieve larven die vanuit de darm migreren naar spierweefsel en daar een cyste vormen (encysteren). De bron is onvoldoende verhit vlees, in de meeste gevallen van varkens/zwijnen of paarden die op hun beurt gevoerd zijn geweest met onvoldoende verhit dierlijk voedsel. Trichinose is meldingsplichtig in categorie C (anonieme melding door het laboratorium).

    Lees verder ›
  • Trichomonas vaginalis

    Trichomonas vaginalis is een eencellige parasiet (Protozoa).

    Lees verder ›
  • Trichuris trichiura

    Trichuris trichiura is een rondworm (Nematoda) en wordt gerekend tot de groep van grondnematoden.

    Lees verder ›
  • Triglyceriden

    Vaststellen triglyceridenconcentratie in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Trombinetijd

    Onderzoek van de omzetting van fibrinogeen en de fibrinepolymerisatie.

    Lees verder ›
  • Trombocyten

    Het bepalen van de concentratie trombocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Trombocytenaggregatie

    Het bepalen van de trombocytenfunctie door trombocyten te aggregeren onder invloed van verschillende agonisten.

    Lees verder ›
  • Trombocytenalloantistoffen

    Het detecteren van alloantistoffen tegen trombocytspecifieke antigenen (humane plaatjesantigenen, HPA).

    Lees verder ›
  • Trombocytenantistoffen neonataal

    Het aantonen van maternale antistoffen tegen trombocyten van de foetus/neonaat, bij verdenking op foetale/neonatale allo-immuuntrombocytopenie (FNAIT).

    Lees verder ›
  • Trombocytenautoantistoffen

    Het aantonen van autoantistoffen tegen trombocyten.

    Lees verder ›
  • Tropheryma whipplei

    Tropheryma whipplei is een bacterie behorend tot de familie van de Actinomycetaceae. De bacterie wordt ook nog wel aangeduid met de oude naam, T. whippelii. T. whipplei is de veroorzaker van de ziekte van Whipple.

    Lees verder ›
  • Troponine

    Vaststellen/uitsluiten van hartschade.

    Lees verder ›
  • Trypanosoma brucei

    Trypanosomen zijn eencellige parasieten (Protozoa) behorende tot de weefselflagellaten. Trypanosoma brucei gambiense en T.b. rhodesiense zijn de veroorzakers van de humane Afrikaanse slaapziekte. De parasieten worden overgebracht door de tseetseevlieg (Glossina).

    Lees verder ›
  • Trypanosoma cruzi

    Trypanosomen zijn eencellige parasieten (Protozoa) behorende tot de weefselflagellaten. Trypanosoma cruzi veroorzaakt de ziekte van Chagas. De parasiet wordt overgebracht door bloedzuigende wantsen. Een infectie kan ook worden overgebracht via bloedtransfusie, weefseltransplantatie en tijdens de zwangerschap.

    Lees verder ›
  • Trypsine in feces

    Doel van de bepaling van trypsine is informatie over het functioneren van de pancreas te verkrijgen, vooral over de exocriene functie, het afscheiden van spijsverteringsenzymen in de dunne darm. Bij het optreden van de taaislijmziekte, cystische fibrose (CF), is de uitscheiding van trypsine door de pancreas belemmerd. Bij pancreatitis kunnen verhoogde waarden gevonden worden.

    Lees verder ›
  • Ulcus cruris venosum ICPC-2: S97; ICD-10: I83.0

    Onder een ulcus cruris venosum verstaan we een defect in pathologisch veranderd weefsel aan het onderbeen op basis van chronische veneuze insufficiëntie (CVI). CVI is een lang voortdurende afvloedstoornis van de venen van de extremiteiten door gebrekkige werking van de kleppen, met reflux en decompensatie van het veneuze systeem tot gevolg.

    Lees verder ›
  • Ureaplasma species

    Ureaplasma urealyticum en Ureaplasma parvum zijn mycoplasmasoorten die ureum nodig hebben voor hun groei.

    Lees verder ›
  • Urethritis bij mannen ICPC-2: U72; ICD-10: A56.0

    Urethritis is een ontsteking van de urethra met klachten van pijnlijke branderige mictie en eventueel afscheiding.

    Lees verder ›
  • Ureum

    Inzicht verkrijgen in de functie van de nieren door het gelijktijdig of afzonderlijk meten van ureum in serum(plasma) en urine en de berekening van de ureumklaring. Daarnaast hebben de metingen afzonderlijk of gecombineerd tot doel het vervolgen van (chronische) stoornissen van de nierfunctie als ook van het effect van de behandeling daarvan; in geval van nierdialyse, het regelen van de dialysedosis en het betrouwbaar schatten van eiwitinname.1,2

    Lees verder ›
  • Urine, soortelijk gewicht

    Bepaling van het soortelijk gewicht (s.g.) van urine.

    Lees verder ›
  • Urinekweek

    Het doel van een urinekweek is het aantonen van de aanwezigheid van (snelgroeiende) bacteriën (of gisten) in de urine.

    Lees verder ›
  • Urineonderzoek, kwalitatief

    Onderzoek bij verdenking op afwijkingen aan of ziekten van de nieren en de urinewegen.

    Lees verder ›
  • Urinesediment

    Onderzoek urinesediment bij verdenking op afwijkingen aan of ziekten van de nieren en de urinewegen.

    Lees verder ›
  • Urineweginfecties bij kinderen ICPC-2: U71; ICD-10: N30

    De diagnose bacteriële urineweginfectie wordt gesteld op grond van het klinisch beeld tezamen met de aanwezigheid van bacteriën in de urine.1,2 De afkapwaarde hangt af van de manier waarop de urine is opgevangen. Bij midstroomurine is dat 105 kolonies per ml1, bij via katheterisatie verkregen urine 104, bij suprapubische blaaspunctie 103.2

    Lees verder ›
  • Urineweginfecties bij mannen ICPC-2: U71; ICD-10: N30

    De diagnose bacteriële urineweginfectie wordt gesteld op grond van anamnese, en klinisch onderzoek in samenhang met bewijs voor de aanwezigheid van bacteriën (vanaf 104/ml) en leucocyten in de urine. Men spreekt van een gecompliceerde urineweginfectie als deze gepaard gaat met koorts (> 38,5°C), met koude rillingen of met kolieken.1

    Lees verder ›
  • Urineweginfecties bij vrouwen ICPC-2: U71; ICD-10: N30

    De diagnose bacteriële urineweginfectie wordt gesteld op grond van het klinisch beeld tezamen met de aanwezigheid van bacteriën in de urine (vanaf 104/ml in een midstroomportie of > 102/ml bij blaaspunctie).1 Indien klinische verschijnselen ontbreken spreekt men van asymptomatische bacteriurie.

    Lees verder ›
  • Urinezuur

    Vaststellen van hyperurikemie.

    Lees verder ›
  • Urolithiasis ICPC-2: U95; ICD-10: N20;N21;N22

    De aanwezigheid van stenen in de urinewegen.

    Lees verder ›
  • Urticaria ICPC-2: S98; ICD-10: L50

    Urticaria (netelroos, galbulten) is een huidaandoening die bestaat uit scherp omschreven, bleke, oedemateuze, jeukende verhevenheden van de huid, omgeven door erytheem. Urticaria kan sterk variëren in grootte en kan conflueren tot grote plaques. De urtica is vluchtig: zij verdwijnt binnen minuten tot uren, per definitie binnen 24-48 uur. Tegelijkertijd kunnen zich weer nieuwe afwijkingen elders ontwikkelen.

    Lees verder ›
  • Perifeer arterieel vaatlijden ICPC-2: K92; ICD-10: I70;I73;I74

    Aandoeningen die worden veroorzaakt door een veranderde bloeddoorstroming in de perifere grote en middelgrote slagaders door anatomische en/of functionele afwijkingen, veelal berustend op gefixeerde (atherosclerotische) stenose, soms arteriolenspasmen.1-3

    Lees verder ›
  • Vaginaal bloedverlies na de menopauze ICPC-2: X12; ICD-10: N95.0

    Postmenopauzaal vaginaal bloedverlies is bloedverlies dat ten minste een jaar na de laatste menstruatie (menopauze).

    Lees verder ›
  • Varentest

    Het doel van de test is het herkennen van vruchtwater bij plotseling vaginaal vochtverlies, bij voortdurend vochtverlies of bij de aanwezigheid van weinig vruchtwater. De tests die ter beschikking staan om vruchtwater mee te herkennen, hebben geen hoge sensitiviteit en specificiteit. Het is daarom beter bij het vermoeden van ‘gebroken vliezen’ een onderzoek met een speculum uit te voeren.

    Lees verder ›
  • Varicellazostervirus

    Varicellazostervirus is een DNA-virus, het humaan herpesvirus-3. Het hoort tot de familie van de herpesviridae. Het is een α-herpesvirus.

    Lees verder ›
  • Varicosis ICPC-2: K95; ICD-10: I83

    Varicosis is de aanwezigheid van varices (spataderen): uitgezette en meestal gekronkelde venen met insufficiënte kleppen en een retrograde bloedstroom. Varices komen meestal voor in de onderste extremiteit, in het gebied van de V. saphena magna en de V. saphena parva. Varices van de benen kunnen worden onderscheiden in primaire (‘aangeboren’, 80-90% van de gevallen) en secundaire varices als gevolg van een andere aandoening, zoals diepe veneuze trombose, die ook onopgemerkt kan zijn verlopen. Men onderscheidt naar lokalisatie: stamvarices, zijtakvarices, reticulaire varices en Besenreiser-varices.

    Lees verder ›
  • Vasoactief intestinaal polypeptide (VIP)

    Bepalen van VIP in het plasma voor de diagnose en follow-up van VIP-producerende neuro-endocriene tumoren.

    Lees verder ›
  • Verslaving alcohol ICPC-2: P15; P16; P17; P18; P19; ICD-10: F10; F11; F12; F13; F14; F15; F16; F17; F18; F19

    In de DSM-IV-classificatie wordt verslaving onderverdeeld in 2 begrippen: afhankelijkheid en misbruik van een middel.1

    Lees verder ›
  • Vet in feces

    Bepaling van de vetuitscheiding in feces.

    Lees verder ›
  • Vibrio cholerae

    Vibriones zijn gramnegatieve, kommavormige bacteriën die van nature voorkomen in brak en zout water. Van V. cholerae bestaan meer dan honderd serotypen waarvan alleen type O1 en O139 als pathogeen beschouwd worden. Binnen het serotype O1 worden 2 biotypen onderscheiden, het klassieke biotype en biotype El Tor. Gastro-enteritis veroorzaakt door V. cholerae is geassocieerd met het consumeren van besmette en onvoldoende verhitte of rauwe schaaldieren. De pathogene typen vormen de choleratoxine die zorgt voor verstoring van de uitwisseling van water en elektrolyten (vloeistofsecretie) in de darm waardoor diarree ontstaat.

    Lees verder ›
  • Viscositeit van plasma

    Bevestiging van verdenking op verhoogde viscositeit.

    Lees verder ›
  • Vitamine A

    Aantonen en/of uitsluiten van vitamine A-deficiëntie.

    Lees verder ›
  • Vitamine B1

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine B1 (thiamine).

    Lees verder ›
  • Vitamine B12

    Het bevestigen van een vermoedelijk vitaminetekort in het algemeen en in het bijzonder bij neurologische en hematologische aandoeningen door het meten van de concentraties van deze vitaminen (B12 en foliumzuur) in serum of plasma. Voor beide vitaminen geldt dat in een gebied tussen ruime aanwezigheid en ernstig tekort het onduidelijk is of er daadwerkelijk in de weefsels zelf een tekort bestaat. Door homocysteïne en/of methylmalonzuur in plasma/serum, of urine te meten kan men daarover uitsluitsel krijgen (zie Homocysteïnetest, Methylmalonzuur en Organische zuren).

    Lees verder ›
  • Vitamine B2

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine B2 (riboflavine).

    Lees verder ›
  • Vitamine B3

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine B3 (niacine).

    Lees verder ›
  • Vitamine B5

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine B5 (pantotheenzuur).

    Lees verder ›
  • Vitamine B6

    Aantonen en/of uitsluiten van vitamine B6-deficiëntie.

    Lees verder ›
  • Vitamine C

    Aantonen en/of uitsluiten van deficiëntie van vitamine C (ascorbinezuur).

    Lees verder ›
  • Vitamine D

    Onderzoek naar de vitamine D-status

    Lees verder ›
  • Vitamine E

    Aantonen en/of uitsluiten van vitamine E-deficiëntie.

    Lees verder ›
  • Vitamine K-oxidereductasecomplex-1 (VKORC1)

    Genotypering voor −1639G>A of 1173C>T van het VKORC1 wordt uitgevoerd om de gevoeligheid voor coumarines (acenocoumarol, fenprocoumon, warfarine) vast te stellen.

    Lees verder ›
  • Vitamine K1

    Aantonen en/of uitsluiten van vitamine K-deficiëntie.

    Lees verder ›
  • Voedselallergie bij kinderen ICPC-2: A92;D99; ICD-10: T78.1;K90.4

    Voedselallergie is een ongewenste, reproduceerbare, immunologische reactie op voedsel. Voedselallergie wordt samen met voedselintolerantie, waarbij het immuunsysteem niet betrokken is, wel aangeduid met de overkoepelende term voedselovergevoeligheid.

    Lees verder ›
  • Voedselvergiftiging

    In het algemeen wordt voedselvergiftiging veroorzaakt door de groei van (toxinevormende) bacteriën in het voedsel, vóór de consumptie leidend tot toxineproductie. De belangrijkste verwekkers van voedselvergiftiging zijn Staphylococcus aureus, Clostridium perfringens en Bacillus cereus. Daarnaast worden infecties door bacteriën als Salmonella, Campylobacter jejuni en Shigella meestal veroorzaakt door het consumeren van besmet voedsel. Deze laatste groep wordt behandeld in andere hoofdstukken.

    Lees verder ›
  • Von Willebrand-factor (vWF)

    Bepaling van de activiteit en de eiwitconcentratie van de von Willebrand-factor (vWF).

    Lees verder ›
  • Vrij β-humaan choriongonadotrofine (vrij β-hCG)

    Schatting van de kans op downsyndroom, het patausyndroom en/of het edwardssyndroom in het eerste trimester van de zwangerschap. De biochemische test is onderdeel van de kansschattende combinatietest.

    Lees verder ›
  • Vrij thyroxine (FT4)

    Meting van vrij thyroxine en thyroxine in serum of plasma.

    Lees verder ›
  • Vrije lichte ketens

    Kwantitatief vaststellen van vrijelichteketenhoeveelheden en -ratio in serum.

    Lees verder ›
  • Waterstof, in ademlucht

    Aantonen van gestoorde absorptie van koolhydraten, in het bijzonder lactose.

    Lees verder ›
  • West-Nijl-virus

    West-Nijl-virus (WNV) is een RNA-virus en hoort tot de familie van flaviviridae.

    Lees verder ›
  • Whiplash-syndroom ICPC-2: L79; ICD-10: S13.4

    Het whiplash syndroom is een verzamelnaam geworden voor allerlei symptomen die kunnen optreden na een hyperextensie-hyperflexie beweging van de halswervelkolom. In engere zin is een whiplash een acceleratie-deceleratiemechanisme waarbij krachten inwerken op de nek. In het typische geval ontstaat het whiplashsyndroom door een kop-staartaanrijding van achteren. Het mechanisme kan leiden tot een (tijdelijk) letsel van weke delen van de cervicale wervelkolom, en kan een verscheidenheid van klachten veroorzaken.1

    Lees verder ›
  • Yersinia species

    Yersinia is een genus binnen de familie van de Enterobacteriaceae. De meest pathogene soorten zijn Y. pestis, Y. enterocolitica en Y. pseudotuberculosis. Oorspronkelijk waren de bacteriën van dit genus ingedeeld bij het genus Pasteurella. Van Y. enterocolitica bestaat een aantal serotypen waarvan er maar enkele pathogeen zijn voor de mens (O3, O8 en O9).

    Lees verder ›
  • Ziehl-neelsenkleuring, Kinyoun-kleuring, auraminekleuring

    Sommige bacteriën hebben een celwand met een hoog gehalte aan mycolzuren, waardoor ze moeilijk te kleuren zijn maar – eenmaal gekleurd – ook moeilijk te ontkleuren, zelfs met zure alcoholoplossingen. Daarom worden deze bacteriën zuurvast genoemd. De belangrijkste zuurvaste bacteriën behoren tot het genus Mycobacterium: M. tuberculosis, M. bovis, M. avium en diverse andere soorten.

    Lees verder ›
  • Zink

    Het opsporen van een zinkdeficiëntie.

    Lees verder ›
  • Zwangerschapsdiabetes

    Zwangerschapsdiabetes wordt gedefinieerd als gestoorde glucosetolerantie, die begint of voor het eerst wordt herkend tijdens de zwangerschap.1-3

    Lees verder ›
  • Zwangerschapsscreening infectieziekten

    In de 12e week van de zwangerschap wordt bloed afgenomen voor de zwangerschapsscreening op drie infectieziekten: hepatitis B, syfilis en hiv. De achtergrond hiervan is dat deze aandoeningen een vermijdbaar risico voor de ongeborene inhouden. Voor hiv en hepatitis B geldt dat de screening plaatsvindt om overdracht durante partu te voorkomen door middel van profylaxe. Syfilis (Treponema pallidum) is een bekende, zij het tegenwoordig zeldzame, oorzaak van miskramen en aangeboren afwijkingen die eenvoudig kan worden voorkomen door antibiotische behandeling. Hoewel de Treponema pallidum strikt genomen al voor de 12e week wordt gevonden in de foetus,1 neemt de kans op overdracht sterk toe met het ouder worden van de placenta. Behandeling van syfilis dient daarom direct na een positieve zwangerschapsscreening plaats te vinden. Ook bij een vroege besmetting treedt zichtbare schade overigens waarschijnlijk pas vanaf de 18e week op, wanneer het foetale immuunsysteem actief wordt.2

    Lees verder ›
  • Zweetproef

    De zweettest, waarbij de concentratie van elektrolyten in zweet wordt gemeten, wordt gebruikt bij de diagnose van cystische fibrose (CF, taaislijmziekte).

    Lees verder ›
  • Zygomycose

    Aantonen van Zygomycetes met microscopie en kweek.

    Lees verder ›
  • α1-antitrypsine (α1AT)

    Vaststellen van α1-antitrypsine (α1AT)-deficiëntie.

    Lees verder ›
  • β2-microglobuline (β2-m)

    Vaststellen van de concentratie van β2-microglobuline (β2-m) in serum, urine of liquor.

    Lees verder ›
  • δ-4-androsteendion (A’dion)

    Onderzoek naar androgeenovermaat bij vrouwen met hirsutisme en/of virilisatie. Zie ook de bijlage op pagina 905: b. Verloop van hormoonconcentraties gedurende de maandelijkse cyclus.

    Lees verder ›
  • gamma-glutamyltransferase (γGT)

    Bepaling van de activiteit van γ-glutamyltransferase (γGT) bij verdenking op lever- en galwegaandoeningen en verdenking op alcoholabusus.

    Lees verder ›