37 resultaten gevonden voor 'carcinoom'

  • Ovariumcarcinoom ICPC-2: X77; ICD-10: C56

    Een ovariumcarcinoom is een maligne tumor uitgaande van het ovarium. Tachtig procent van de ovariumtumoren zijn epitheliaal van oorsprong, zij ontstaan uit het coeloomepitheel, waaruit het kapsel van het ovarium, maar ook de tuba en het peritoneum zijn opgebouwd. Het tubacarcinoom en het extra-ovariële carcinoom van het peritoneum gedragen zich daarom hetzelfde als het ovariumcarcinoom en worden op dezelfde manier behandeld. De kiemcel tumoren, zoals bijvoorbeeld het dysgerminoom en het immatuur teratoom, treden op een veel jongere leeftijd op, meestal rond de 20 jaar. De stromaceltumoren ontstaan uit het stroma van het ovarium. Zij kunnen zowel op jonge als oudere leeftijd ontstaan. De diagnose ovariumcarcinoom kan alleen door histologisch onderzoek worden gesteld. De stadiumindeling wordt gedaan volgens de richtlijnen van de FIGO en is noodzakelijk voor het vaststellen van de juiste behandeling. FIGO-stadium I (het carcinoom is beperkt tot de ovaria), stadium II (uitbreiding in het kleine bekken), stadium III (verspreiding in de buikholte buiten het kleine bekken), stadium IV (metastasen buiten de buikholte). Het stadium wordt veelal chirurgisch vastgesteld, met uitzondering van stadium IV waarbij een CT-scan meestal de aanvullende informatie over de extraperitoneale metastasen geeft.

    Lees verder ›
  • Basaalcelcarcinoom ICPC-2: S77; ICD-10: C44

    Het basaalcelcarcinooom (BCC), synoniem met basocellulair carcinoom en basalioom, is de meest voorkomende maligne huidtumor.

    Lees verder ›
  • Prostaatcarcinoom ICPC-2: Y77; ICD-10: C61

    Maligniteit, uitgaande van de prostaat. Bij prostaatcarcinomen gaat het in 95% om adenocarcinoom, in de overige 5% om plaveiselcel- of overgangsepitheelcarcinoom, dat ontstaat uit de periurethrale klierbuizen.

    Lees verder ›
  • Focaal leverafwijking ICPC-2: D97

    Een focale leverafwijking is een solide, cysteuze of gemengde afwijking, die bij beeldvormend onderzoek in de lever wordt vastgesteld. De afwijking kan asymptomatisch zijn en als toevalsbevinding bij beeldvorming van andere organen optreden. De afwijking kan ook symptomatisch zijn en bij gericht onderzoek worden vastgesteld.

    Lees verder ›
  • Carcino-embryonaal antigeen in bloed (CEA)

    Bepaling van carcino-embryonaal antigeen (CEA) in bloed prognostisch en in de follow-up van colorectale kanker.

    Lees verder ›
  • Pijnlijke borsten ICPC-2: X18; ICD-10: N64.4

    Pijn in de borsten (mastodynie, mastalgie) is een symptoom dat vrijwel altijd berust op een goedaardig proces. De klacht is meestal cyclus-gebonden. Bij mastopathie gaan cyclusgebonden pijnklachten gepaard met palpabele mamma-afwijkingen (drukpijnlijke, grofkorrelige klierstructuur, met name in het laterale bovenkwadrant).

    Lees verder ›
  • Vaginaal bloedverlies na de menopauze ICPC-2: X12; ICD-10: N95.0

    Postmenopauzaal vaginaal bloedverlies is bloedverlies dat ten minste een jaar na de laatste menstruatie (menopauze).

    Lees verder ›
  • Dyspepsie ICPC-2: D07; ICD-10: K30

    Onder dyspepsie (vaak maagklachten/bovenbuikklachten genoemd) wordt hier verstaan: niet-acute pijn of onbehaaglijk gevoel in de bovenbuik, zuurbranden, al dan niet in combinatie met misselijkheid en/of een opgeblazen gevoel en/of een snel intredend gevoel van verzadiging, voorzover deze klachten hun (vermoedelijke) oorsprong hebben in het onderste deel van de slokdarm, in de maag of in het duodenum.1

    Lees verder ›
  • Gynaecomastie ICPC-2: Y16; ICD-10: N62

    Gynaecomastie is hyperplasie van het borstklierweefsel in een of beide borsten bij mannen. Vetdepositie zonder eigenlijke kliervergroting noemt men wel pseudogynaecomastie. Fysiologische gynaecomastie komt voor bij de pasgeborene, in de puberteit (puberteitsgynaecomastie) en bij oudere mannen (> 65 jaar).

    Lees verder ›
  • Prostaatspecifiek antigeen in bloed (PSA)

    Bij verdenking op prostaatcarcinoom, in combinatie met rectaal onderzoek (DRE), vaststellen bij welke patiënten prostaatbiopsie geïndiceerd is.

    Lees verder ›
  • Orale leukoplakie ICPC-2: D83; ICD-10: K13.2

    Orale leukoplakie is een witte, niet-afschraapbare slijmvliesafwijking met enigszins ruw aspect, vooral voorkomend op tong, lip en het wangslijmvlies dat klinisch of histopathologisch niet als een andere witte mondaandoening kan worden gediagnostiseerd. Klinisch manifesteert het zich als een homogene afwijking (vlak, egaal wit) of als een niet-homogene afwijking, dat wil zeggen verruceus, nodulair of erosief met naast een witte tevens een rode component (erytroleukoplakie). Leukoplakie is histologisch veelal benigne, maar bij voorkomende celatypie is dit een premaligne aandoening.

    Lees verder ›
  • Palpabele mammatumor ICPC-2: X19; ICD-10: N63

    Een palpabele mammatumor is een hoeveelheid weefsel met afwijkende consistentie ten opzichte van het overige mammaweefsel.

    Lees verder ›
  • Parotiszwelling ICPC-2: D83; ICD-10: K11.1

    Parotiszwelling is een uni- of bilaterale zwelling van de glandula parotidea.

    Lees verder ›
  • Vergroot schildklier ICPC-2: T81; ICD-10: E04

    Een schildkliervergroting of struma kan uninodulair, multinodulair of diffuus zijn.

    Lees verder ›
  • Albumine, in serum

    Bepaling van albumine in serum.

    Lees verder ›
  • Aldosteron

    Vaststellen van overproductie van aldosteron bij de differentiële diagnostiek van mineralocorticoïdhypertensie.

    Lees verder ›
  • Antitrypsine, α1- (α1AT), in serum

    Vaststellen van α-antitrypsine (αAT)-deficiëntie door concentratiemeting. Aanvullend kan genoomdiagnostiek plaatsvinden.

    Lees verder ›
  • Ascites ICPC-2: D29; ICD-10: R18

    Ascites is een spontane ophoping van vrij vocht in de buikholte.1 De voornaamste oorzaak van ascites is levercirrose. Voor de differentiaal diagnose van ascites dient gebruik te worden gemaakt van de serum-ascites-albuminegradiënt (SAAG).2-4 Ascites ten gevolge van portale hypertensie (bijvoorbeeld cirrose, hartfalen) heeft een SAAG ≥ 11 g/l. Ascites ten gevolge van overige aandoeningen, zoals pancreasaandoeningen, maligniteit, of tuberculose, heeft een SAAG < 11 g/l.2-5

    Lees verder ›
  • Epstein-Barr-virus

    Epstein-Barr-virus is het humaan herpesvirus type 4 (HHV-4), een DNA-virus, en hoort tot de familie van de .

    Lees verder ›
  • Hematocriet (Ht)

    Bepalen van de volumefractie van de erytrocyten in bloed.

    Lees verder ›
  • Haemoptoe ICPC-2: R24; ICD-10: R04.2

    Haemoptoe is het ophoesten van helderrood bloed uit de tractus respiratorius distaal van de stembanden.

    Lees verder ›
  • Oestradiol

    Bepaling van serumgehalte oestradiol.

    Lees verder ›
  • Parathyroïdhormoon in bloed (PTH)

    Bepaling van parathyroïdhormoon (PTH) in plasma.

    Lees verder ›
  • Acute hepatitis ICPC-2: D97; ICD-10: K72.0

    Een acute ontsteking van het leverparenchym, die leidt tot verhoogde leverenzymspiegels in het bloed als gevolg van lekkage uit beschadigde levercellen.

    Lees verder ›
  • Presymptomatisch DNA-onderzoek

    Vaststellen of bij een persoon die op dit moment gezond is, zich later in het leven een erfelijke ziekte zal openbaren. Door dit onderzoek wordt de leeftijd waarop de diagnose wordt gesteld aanzienlijk vervroegd. Binnen de klinisch-genetische praktijk wordt deze vorm van onderzoek voornamelijk aangevraagd bij erfelijke aandoeningen met een autosomaal dominant overervingspatroon die zich op volwassen leeftijd openbaren. De voornaamste groepen aandoeningen waarbij op dit moment presymptomatisch DNA-onderzoek plaats vindt zijn erfelijke vormen van kanker (bijvoorbeeld mammacarcinoom en coloncarcinoom), erfelijke neurodegeneratieve aandoeningen (bijvoorbeeld de ziekte van Huntington) en erfelijke neuromusculaire aandoeningen (met name myotone dystrofie).

    Lees verder ›
  • SCC-antigeen (‘squamous cell carcinoma’-antigeen)

    Postoperatieve follow-up bij cervixcarcinoom en beoordeling van het effect van chemo- en/of radiotherapie.

    Lees verder ›
  • Acute keelpijn ICPC-2: R74; ICD-10: J02

    Acute keelpijn is plotseling optredende pijn in de keel, die nog niet langer dan 2 weken bestaat.

    Lees verder ›
  • Testosteron

    Evaluatie van de androgeenstatus.

    Lees verder ›
  • Thyreoglobuline (Tg)

    Bepaling van thyreoglobuline (Tg).

    Lees verder ›
  • Leukocytose ICPC-2: B84; ICD-10: D72.8

    Leukocytose is een toename van het aantal leukocyten (> 10 x 109/l) in het perifere bloed.

    Lees verder ›
  • Levercirrose ICPC-2: D97; ICD-10: K74

    Levercirrose is een chronische leveraandoening bestaande uit (nodulaire) regeneratie en verlittekening (fibrose) van de lever als reactie op hepatocellulaire necrose. Levercirrose kan leiden tot verminderde leverfunctie met als mogelijke complicaties portale hypertensie en varicesbloedingen, encefalopathie, water- en zoutretentie met ascitesvorming en als eindstadium het hepatorenaal syndroom.

    Lees verder ›
  • Vasoactief intestinaal polypeptide (VIP)

    Bepalen van VIP in het plasma voor de diagnose en follow-up van VIP-producerende neuro-endocriene tumoren.

    Lees verder ›
  • Pijnlijke tong/mond ICPC-2: D20; ICD-10: K14.6;K13.7

    Een pijnlijk en/of brandend gevoel van de tong of ander gebied in de mond kan bij een aantal orale slijmvliesaandoeningen optreden. Men spreekt van mondbranden bij dubbelzijdige pijn en/of branderig gevoel van de tong en het mondslijmvlies zonder zichtbare afwijkingen. Wanneer de klachten uitsluitend de tong betreffen, wordt ook wel de term tongbranden (glossodynie) gebruikt.

    Lees verder ›
  • Prikkelbaredarmsyndroom ICPC-2: D93; ICD-10: K58

    Het prikkelbaredarmsyndroom (irritable bowel syndrome) kan aan de hand van de zogenaamde ‘Rome-criteria’ gedefinieerd worden als de aanwezigheid gedurende ten minste 12 weken (hoeft niet opeenvolgend) tijdens de voorafgaande 12 maanden van buikpijn of een onaangenaam gevoel in de buik, dat niet verklaard kan worden door biochemische of structurele afwijkingen en waarbij ten minste 2 van de volgende 3 kenmerken aanwezig zijn:1

    Lees verder ›
  • Pyrosis ICPC-2: D03; ICD-10: R12

    Pyrosis (zuurbranden) is een gevoel van retrosternale warmte of branderigheid met karakteristiek de neiging tot opstijgen in de richting van de keel. Zuurbranden als dominante klacht is het karakteristiekste symptoom van gastro-oesofageale refluxziekte. Zuurbranden komt vaak voor tijdens de zwangerschap zonder verdere afwijkingen. Ook bij peptische ulcera en functionele dyspeptische klachten komt zuurbranden, naast andere klachten, vaak voor.

    Lees verder ›
  • Zichtbaar rectaal bloedverlies ICPC-2: D16; ICD-10: K62.5

    Rood bloedverlies per anum/rectum (hematochezie) kan zich presenteren als acuut massaal bloedverlies, als bloed door of op de ontlasting en als bloed aan het toiletpapier.

    Lees verder ›
  • Tepeluitvloed ICPC-2: X20; ICD-10: N64.5

    Men spreekt van tepeluitvloed als er secretie van vocht, anders dan melk, uit de tepel plaatsvindt. Dit kan uni- of bilateraal voorkomen. De kleur kan variabel zijn: bloederig, bruin, helder, sereus, serosanguinolent, gelig, groen, blauw, grijs. Men spreekt van galactorroe als er uitvloed van melk of melkachtig vocht is, komend vanuit een of beide borsten, meestal bilateraal en vanuit meerdere melkgangen. Galactorroe moet worden onderscheiden van (pathologische) tepeluitvloed (zie Galactorroe).

    Lees verder ›