56 resultaten gevonden voor 'alcohol'

  • Alcohol

    Analyse van alcohol (ethanol) in bloed

    Lees verder ›
  • Verslaving alcohol ICPC-2: P15; P16; P17; P18; P19; ICD-10: F10; F11; F12; F13; F14; F15; F16; F17; F18; F19

    In de DSM-IV-classificatie wordt verslaving onderverdeeld in 2 begrippen: afhankelijkheid en misbruik van een middel.1

    Lees verder ›
  • CDT (koolhydraatdeficiënt transferrine)

    Bepaling van CDT in serum bij de vraagstelling overmatige alcoholinname.

    Lees verder ›
  • Delier ICPC-2: P71; ICD-10: F05

    Een delier is een in korte tijd (uren tot enkele dagen) ontstane fluctuerende stoornis van bewustzijn en cognitie, in de regel het gevolg van een lichamelijke ontregeling.

    Lees verder ›
  • Coma ICPC-2: A07; ICD-10: R40.2

    Toestand van verlaagd bewustzijn waaruit een patiënt, ondanks pijnprikkels, niet te wekken is.

    Lees verder ›
  • Hypertensie ICPC-2: K86; ICD-10: I10

    De bloeddruk is verhoogd wanneer deze hoger dan of gelijk is aan 140 mmHg systolisch en/of 90 mmHg diastolisch (Korotkoff V). Dit geldt ook voor personen ouder dan 60 jaar.1

    Lees verder ›
  • Icterus ICPC-2: D13; ICD-10: R17

    Icterus (geelzucht) is een gele verkleuring van de oogsclerae en de huid ten gevolge van een verhoogde plasmaspiegel van bilirubine. Er zijn 3 categorieën oorzaken voor icterus of hyperbilirubinemie, te weten: prehepatische, hepatische, en posthepatische of cholestatische icterus. Een cholestatische icterus is het gevolg van een gestoorde afvoer van gal.

    Lees verder ›
  • Angststoornissen ICPC-2: P74; ICD10: F41.0;F41.1;F41.8;F41.9

    Een angststoornis bestaat uit bovenmatige angst en bezorgdheid, of angst die ook aanhoudt bij afwezigheid van het gevaar. Onder angst verstaan we het subjectieve gevoel van angst, gedachten rond gevaar, lichamelijke veranderingen zoals een versnelde hartslag en motorische activiteit zoals wegvluchten of om hulp roepen. Blootstelling aan de focus van de angst gaat met duidelijke lijdensdruk gepaard. De angst hindert de patiënt in het dagelijks functioneren.1

    Lees verder ›
  • Atriumfibrilleren ICPC-2: K78; ICD-10: I48

    Atriumfibrilleren (boezemfibrilleren) is een hartritmestoornis die wordt gekenmerkt door ongeorganiseerde elektrische activiteit van de atria. De ventriculaire respons is totaal irregulair, leidend tot een totaal irregulaire pols. Atriumfibrilleren kan in aanvallen optreden (paroxismaal, meestal vanzelf verdwijnend binnen 48 uur) of chronisch zijn. Chronisch atriumfibrilleren wordt onderverdeeld in persisterend (nog wel converteerbaar naar sinusritme) en permanent (niet meer converteerbaar naar sinusritme).

    Lees verder ›
  • Bipolaire stoornis ICPC-2: P73; ICD-10: F31

    Een bipolaire stoornis bestaat uit het afwisselend voorkomen van manische of hypomanische, depressieve, en gemengde episodes. Een bipolaire I-stoornis wordt vastgesteld bij ten minste 1 doorgemaakte manische episode, een bipolaire II-stoornis bij hoofdzakelijk depressieve episodes en ten minste 1 hypomanische episode. De duur van de episodes kan kort (dagen tot weken) of lang (maanden) zijn. Er kunnen zich direct opeenvolgende episodes voordoen zonder tussenliggend herstel.

    Lees verder ›
  • Clusterhoofdpijn ICPC-2: N90; ICD-10: G44.0

    De indeling van verschillende typen primaire hoofdpijn, waaronder clusterhoofdpijn, is gewijzigd. Clusterhoofdpijn wordt beschouwd als een trigeminal autonomic cephalgia. Met die indeling worden de autonome verschijnselen die bij dit syndroom horen en de samenhang met verwante aandoeningen zoals de chronisch paroxysmale hemicrania gewaardeerd.

    Lees verder ›
  • Cushing-syndroom ICPC-2: T99; ICD-10: E24

    Het syndroom van Cushing (hypercortisolisme) wordt klinisch gekenmerkt door een aantal symptomen die in wisselende combinaties kunnen voorkomen: centripetale obesitas, vollemaansgezicht, proximale spierzwakte, hypertensie, atrofie van de huid, spontane ecchymosen (huidbloedingen), striae, acne, hirsutisme, psychische veranderingen (depressie), oligo/amenorroe, impotentie, osteoporose en gestoorde glucosetolerantie, eventueel leidend tot een variant van type 2 diabetes mellitus. Het syndroom van Cushing moet worden onderscheiden van het pseudo-Cushingbeeld, waarbij overlappende klinische kenmerken kunnen bestaan.

    Lees verder ›
  • Epilepsie ICPC-2: N88; ICD-10: G40

    Epilepsie wordt gekenmerkt door het herhaald optreden van epileptische aanvallen. Dat zijn aanvallen van gedragsverandering of sensaties die het gevolg zijn van excessieve ontladingen van (populaties van) neuronen in de hersenen.

    Lees verder ›
  • Erectiestoornissen ICPC-2: P08; ICD-10: F52.2

    Erectiele disfunctie is gedefinieerd als een voortdurend of terugkerend onvermogen een erectie te krijgen of vol te houden tot de voltooiing van de seksuele activiteit (in afwezigheid van een voortijdige zaadlozing).

    Lees verder ›
  • Gynaecomastie ICPC-2: Y16; ICD-10: N62

    Gynaecomastie is hyperplasie van het borstklierweefsel in een of beide borsten bij mannen. Vetdepositie zonder eigenlijke kliervergroting noemt men wel pseudogynaecomastie. Fysiologische gynaecomastie komt voor bij de pasgeborene, in de puberteit (puberteitsgynaecomastie) en bij oudere mannen (> 65 jaar).

    Lees verder ›
  • Acute hepatitis ICPC-2: D97; ICD-10: K72.0

    Een acute ontsteking van het leverparenchym, die leidt tot verhoogde leverenzymspiegels in het bloed als gevolg van lekkage uit beschadigde levercellen.

    Lees verder ›
  • Longtuberculose ICPC-2: A70; ICD-10: A16

    Longtuberculose is een ziekte die wordt veroorzaakt door één van de mycobacteriële species van het Mycobacterium tuberculosis complex. De ziekte kent vele verschillende uitingsvormen, waarvan longtuberculose veelal met de meeste ziekteactiviteit gepaard gaat.

    Lees verder ›
  • Pancreatitis ICPC-2: D99; ICD-10: K85;K86

    Pancreatitis is een ontsteking van het pancreas. Van acute pancreatitis kunnen 2 vormen worden onderscheiden, namelijk acute interstitiële (in het algemeen licht en zelflimiterend) en acute necrotiserende pancreatitis (ernstige vorm; de mate van necrose correleert met de ernst van de aanval en de systemische manifestaties).1 Om de ernst van een acute pancreatitis te voorspellen, wordt vaak gebruik gemaakt van classificatiesystemen zoals de APACHE II-score, de Glasgowscore of de Ransoncriteria.2

    Lees verder ›
  • Plasminogeenactivatorinhibitor (PAI)

    Bepaling van de activiteit en de eiwitconcentratie van plasminogeenactivatorinhibitor (PAI).

    Lees verder ›
  • Porfyrie ICPC-2: T99; ICD-10: E80

    Porfyrie omvat een groep metabole ziekten, waarbij de synthese van haem is gestoord.

    Lees verder ›
  • Porfyrinen/δ-aminolevulinezuur (ALA)

    Bij verdenking op porfyrie, loodintoxicatie en hereditaire tyrosinemie (zeldzaam). Vaststellen of afwijkingen in het heemmetabolisme passen bij de klachten van de patiënt.

    Lees verder ›
  • gamma-glutamyltransferase (γGT)

    Bepaling van de activiteit van γ-glutamyltransferase (γGT) bij verdenking op lever- en galwegaandoeningen en verdenking op alcoholabusus.

    Lees verder ›
  • Alanineaminotransferase (ALAT)

    Standaardinformatie bij aanvraag laboratoriumonderzoek (o.a. identificatie leeftijd, geslacht).

    Lees verder ›
  • Albumine, in serum

    Bepaling van albumine in serum.

    Lees verder ›
  • Amylase, totaal

    Vaststellen van de hoogte van de activiteit van het totaal amylase (zowel pancreas- als speekselamylase) in plasma, serum en urine.

    Lees verder ›
  • Microcytair anemie ICPC-2: B80; ICD-10: D50.8

    Microcytaire anemie is een anemie met een verlaagd MCV (mean corpuscular volume) (< 80 fl).

    Lees verder ›
  • Bilirubine

    Bepaling van verhoogd bilirubinegehalte.

    Lees verder ›
  • Creatinekinase (CK)

    Vaststellen/uitsluiten van spierschade of verhoogde spierafbraak.

    Lees verder ›
  • Dementie ICPC-2: P70; ICD-10: F03

    Dementie is een verworven klinisch syndroom, waarbij meervoudige cognitieve functiestoornissen centraal staan. Het betreft de aanwezigheid van minimaal 2 van de volgende stoornissen:

    Lees verder ›
  • Depressie ICPC-2: P76; ICD-10: F32; F33; F34.1; F34.8; F34.9; F38; F39; F41.2; F53.0

    Een depressieve stoornis is een klinisch syndroom dat 1 of meerdere depressieve episodes omvat. Gedurende een depressieve episode staat een sombere stemming of verlies van interesse of plezier in activiteiten die daarvoor als plezierig ervaren werden centraal en kunnen daarnaast de volgende symptomen voorkomen:1

    Lees verder ›
  • Chronische diarree ICPC-2: D11; ICD-10: K52.9

    Diarree is een symptoom dat bij talrijke gastro-intestinale ziekten aanwezig is, soms ook bij ziekten die niet van gastro-intestinale aard zijn. Diarree wordt gedefinieerd als 3 of meer dunvloeibare of ongevormde ontlastingen per dag, met een gewicht van meer dan 200 g feces per dag bij kinderen en volwassenen, of meer dan 10 g feces per kg lichaamsgewicht per dag bij kleine kinderen.1 Na 2 tot 4 weken spreekt men van chronische diarree.1,2

    Lees verder ›
  • Duizeligheid ICPC-2: N17; ICD-10: R42

    Duizeligheid is een onaangename sensatie van bewegingspatronen die in werkelijkheid niet bestaan; het is een verzamelnaam voor uiteenlopende vormen van onvast-zijn, zoals draaiduizeligheid, zweverigheid, licht gevoel in het hoofd en balansstoornis. Draaiduizeligheid of vertigo is de illusie van het ondergaan van een draaibeweging.

    Lees verder ›
  • Dyspepsie ICPC-2: D07; ICD-10: K30

    Onder dyspepsie (vaak maagklachten/bovenbuikklachten genoemd) wordt hier verstaan: niet-acute pijn of onbehaaglijk gevoel in de bovenbuik, zuurbranden, al dan niet in combinatie met misselijkheid en/of een opgeblazen gevoel en/of een snel intredend gevoel van verzadiging, voorzover deze klachten hun (vermoedelijke) oorsprong hebben in het onderste deel van de slokdarm, in de maag of in het duodenum.1

    Lees verder ›
  • Ejaculatiestoornissen ICPC-2: P08; ICD-10: F52

    Ejaculatiestoornissen zijn stoornissen in de zaadlozing.

    Lees verder ›
  • Guillain-Barré-syndroom ICPC-2: N94; ICD-10: G61.0

    Het Guillain-Barrésyndroom (GBS) is een acuut (binnen 4 weken is het maximum bereikt) optredende opstijgende polyradiculoneuropathie leidend tot in omvang wisselende functiestoornissen van motorische, sensorische en autonome zenuwen gevolgd door geheel of gedeeltelijk herstel.

    Lees verder ›
  • Hartfalen ICPC-2: K77; ICD-10: I50

    De diagnose hartfalen berust op drie pijlers: symptomen passend bij hartfalen, bevindingen bij lichamelijk onderzoek passend bij hartfalen, en objectief bewijs voor een structurele of functionele afwijking van het hart in rust.1

    Lees verder ›
  • Hartkloppingen ICPC-2: K04; ICD-10: R00

    Subjectief: (oncomfortabele) bewustheid van slagen van het hart. Zij kunnen worden gevoeld als hartkloppingen, overslaan, hartbonzen, hartjagen, kloppen in de hals en pijn in de borst.

    Lees verder ›
  • Heesheid ICPC-2: R23; ICD-10: R49.0

    Heesheid is een stoornis van het stemgeluid: de stem is niet helder, maar ruw en veranderd van toonhoogte. Afhankelijk van de snelheid van ontstaan en de duur van de symptomen wordt onderscheid gemaakt in acute en chronische heesheid. Acute heesheid begint snel en bestaat korter dan 2 weken.

    Lees verder ›
  • Hypercholesterolemie/Dyslipidemie ICPC-2: T93; ICD-10: E78

    In 1999 werd van hypercholesterolemie gesproken indien de totale cholesterolconcentratie in het bloed hoger is dan 5,0 mmol/l. Anno 2011 worden bij cardiovasculaire hoogrisicopatiënten strenge richtlijnen gehanteerd (LDL cholesterol < 2,5 mmol/l).1 Voortschrijdend inzicht heeft de laatste jaren geleid tot verdere aanscherping van de indicatie tot cholesterolverlagende behandeling bij hoogrisicopatiënten (patiënten met diabetes mellitus en/of manifest macrovasculair lijden). Daarbij wordt tegenwoordig in Nederland gestreefd naar een LDL-cholesterol < 2,5 mmol/l. Amerikaanse richtlijnen gaan nog verder met het streven naar LDL-waarden < 1,8 mmol/l bij hoogrisicogroepen.

    Lees verder ›
  • Lactaat

    Nader onderzoek acidose. Verdenking metabole stoornis.

    Lees verder ›
  • Aspecifieke lage rugpijn ICPC-2: L03; ICD-10: M53.3;M54.0;M54.5

    Aspecifieke lage rugpijn is rugpijn die is gelokaliseerd onder de scapulapunten en boven de bilplooien, waarbij geen specifieke oorzaak aanwijsbaar is. De diagnose berust op basis van uitsluiting van een lichamelijke afwijking die de klachten verklaart. Men spreekt van acute lage rugpijn als de klachten korter dan 6 weken bestaan. Subacute lage rugpijn bestaat 6-12 weken en chronische lage rugpijn bestaat langer dan 12 weken of recidiveert steeds.

    Lees verder ›
  • Focaal leverafwijking ICPC-2: D97

    Een focale leverafwijking is een solide, cysteuze of gemengde afwijking, die bij beeldvormend onderzoek in de lever wordt vastgesteld. De afwijking kan asymptomatisch zijn en als toevalsbevinding bij beeldvorming van andere organen optreden. De afwijking kan ook symptomatisch zijn en bij gericht onderzoek worden vastgesteld.

    Lees verder ›
  • Microscopisch onderzoek feces

    Opsporen van mogelijke oorzaak van malabsorptie in het spijsverteringsorgaan.

    Lees verder ›
  • As II persoonlijkheidsstoornis ICDC-2: P80; ICD-10: F60;F61;F62;F63;F68;F69

    Een persoonlijkheidsstoornis wordt in de DSM-IV-classificatie beschreven als een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk afwijken van wat binnen de cultuur van de betrokkene gepast is.1 Het patroon is stabiel over langere tijd, en het begin kan worden teruggevoerd tot de adolescentie of de vroege volwassenheid. De stoornis leidt tot aanzienlijke beperkingen binnen persoonlijke en sociale situaties en tot klinisch relevant lijden. De volgende persoonlijkheidsstoornissen worden onderscheiden: cluster A met de excentrieke persoonlijkheidsstoornissen van het paranoïde, het schizoïde en het schizotypische type; cluster B met de dramatische en impulsieve persoonlijkheidsstoornissen van het antisociale, het borderline, het theatrale en het narcistische type, en cluster C met de door angst gekleurde persoonlijkheidsstoornissen van het ontwijkende, het afhankelijke en het obsessieve-compulsieve type.

    Lees verder ›
  • Polyneuropathie ICPC-2: N94; ICD-10: G61;G62;G63

    Een polyneuropathie is een symmetrische, veelal chronische aandoening van de perifere zenuwen, die wordt gekenmerkt door sensibele en/of motorische afwijkingen die in de regel distaal meer dan proximaal en aan de benen meer dan aan de armen aanwezig is.

    Lees verder ›
  • Prikkelbaredarmsyndroom ICPC-2: D93; ICD-10: K58

    Het prikkelbaredarmsyndroom (irritable bowel syndrome) kan aan de hand van de zogenaamde ‘Rome-criteria’ gedefinieerd worden als de aanwezigheid gedurende ten minste 12 weken (hoeft niet opeenvolgend) tijdens de voorafgaande 12 maanden van buikpijn of een onaangenaam gevoel in de buik, dat niet verklaard kan worden door biochemische of structurele afwijkingen en waarbij ten minste 2 van de volgende 3 kenmerken aanwezig zijn:1

    Lees verder ›
  • Pyrosis ICPC-2: D03; ICD-10: R12

    Pyrosis (zuurbranden) is een gevoel van retrosternale warmte of branderigheid met karakteristiek de neiging tot opstijgen in de richting van de keel. Zuurbranden als dominante klacht is het karakteristiekste symptoom van gastro-oesofageale refluxziekte. Zuurbranden komt vaak voor tijdens de zwangerschap zonder verdere afwijkingen. Ook bij peptische ulcera en functionele dyspeptische klachten komt zuurbranden, naast andere klachten, vaak voor.

    Lees verder ›
  • Retentio testis ICPC-2: Y83; ICD-10: Q53

    Retentio testis is het niet of onvoldoende ingedaald zijn van de testis in het scrotum. Een niet ingedaalde-testis kan abdominaal (cryptorchisme), in het liesgebied of ectopisch (buiten de route van de normale testisindaling) zijn gelokaliseerd.

    Lees verder ›
  • Scabiës ICPC-2: S72; ICD-10: B86

    Scabiës (schurft) is een besmettelijke, jeukende, parasitaire huidziekte, veroorzaakt door Sarcoptes scabiei humanis (schurftmijt). Scabiës wordt gekenmerkt door gangetjes die pathognomonisch zijn, een polymorfe huidafwijking die bestaat uit papels, papulovesikels, pustels, crustae en krabeffecten. Bij patiënten die immunogecompromitteerd zijn en patiënten die niet kunnen krabben of geen jeuk kunnen voelen ten gevolge van neurologische of psychiatrische aandoeningen kan S. scabiei een ernstige dermatologische aandoening veroorzaken die scabies crustosa of scabies norvegica wordt genoemd. Deze vorm van scabiës is besmettelijk. De mijten vermeerderen zich over het gehele lichaam. In de korsten worden duizenden mijten aangetroffen.

    Lees verder ›
  • Schedeltrauma ICPC-2: N80; ICD-10: S06;S07

    Het schedel-hersenletsel (trauma capitis) kan worden onderverdeeld in lichte en (matig) ernstige schedel-hersenletsels.1

    Lees verder ›
  • Schizofrenie ICPC-2: P72; ICD-10: F20/F21/F22/F24/F25/F28

    De klinische symptomen van schizofrenie worden doorgaans in drie categorieën ingedeeld:

    Lees verder ›
  • Subfertiliteit bij de vrouw ICPC-2: ICPC-2: W15; ICD-10: N97

    Infertiliteit: onvermogen tot voortplanting. Subfertiliteit: het gedurende meer dan 12 maanden uitblijven van een zwangerschap bij onbeschermde, op conceptie gerichte coïtus. Echte infertiliteit is zeldzaam. Sommigen voegen aan de definitie van subfertiliteit toe: bij een regelmatige cyclus. Bij een onregelmatige cyclus zal men, afhankelijk van de ernst van de cyclusstoornis, vaak eerder met onderzoek starten. Van primaire subfertiliteit bij de vrouw is sprake indien zij niet eerder zwanger is geweest, van secundaire indien zij wel ooit zwanger was, ook indien deze zwangerschap niet tot de geboorte van een levend kind heeft geleid. Van primaire subfertiliteit bij de man is sprake indien hij niet eerder een zwangerschap tot stand heeft gebracht, van secundaire indien dat wel zo is.1

    Lees verder ›
  • Tinnitus/Oorsuizen ICPC-2: H03; ICD-10: H93.1

    Tinnitus of oorsuizen is het waarnemen van een geluid in het oor of het hoofd zonder evidente externe geluidsstimulus.

    Lees verder ›
  • Urineonderzoek, kwalitatief

    Onderzoek bij verdenking op afwijkingen aan of ziekten van de nieren en de urinewegen.

    Lees verder ›
  • Waterstof, in ademlucht

    Aantonen van gestoorde absorptie van koolhydraten, in het bijzonder lactose.

    Lees verder ›
  • Ziehl-neelsenkleuring, Kinyoun-kleuring, auraminekleuring

    Sommige bacteriën hebben een celwand met een hoog gehalte aan mycolzuren, waardoor ze moeilijk te kleuren zijn maar – eenmaal gekleurd – ook moeilijk te ontkleuren, zelfs met zure alcoholoplossingen. Daarom worden deze bacteriën zuurvast genoemd. De belangrijkste zuurvaste bacteriën behoren tot het genus Mycobacterium: M. tuberculosis, M. bovis, M. avium en diverse andere soorten.

    Lees verder ›