66 resultaten gevonden voor 'metabole acidose'

  • Bloedgassen

    Het in beeld brengen van de gasuitwisseling en de zuur-basestatus van de patiënt middels het bepalen van de bloedgasparameters. Afhankelijk van het type analyser kunnen veelal de volgende bepalingen worden gemeten of berekend, pH, pO, pCO, HCO, BE, O-sat, SaO, FOHb, COHb, MetHb en SulfHb, Na, K, iCa, Cl, , glucose en lactaat.

    Lees verder ›
  • Chloride

    De toepassing van de chloride (Cl) bepaling ligt in de detectie en follow-up van hyper- en hypochloremie en in het bepalen van de in het geval van een metabole acidose.

    Lees verder ›
  • Lactaat

    Nader onderzoek acidose. Verdenking metabole stoornis.

    Lees verder ›
  • Kalium

    Vaststellen van hyper- en hypokaliëmie.

    Lees verder ›
  • Nierstenen

    Onderzoek naar de samenstelling van de verkregen urinewegsteen in het kader van het ophelderen van de oorzaak van het ontstaan, en het zo nodig instellen van therapie.

    Lees verder ›
  • Nierschade ICPC-2: U99; ICD-10: N17;N18

    Aandoening van de nieren, gekenmerkt door een verminderde glomerulaire filtratiesnelheid, zich uitend in een verhoogde creatinineconcentratie in serum of plasma, en/of eiwitverlies met de urine.

    Lees verder ›
  • Aminozuren

    Analyse van aminozuren in bloed en/of urine voor het aantonen, follow-up of bevestigen van erfelijke stoornissen in het aminozuurmetabolisme.

    Lees verder ›
  • Coma ICPC-2: A07; ICD-10: R40.2

    Toestand van verlaagd bewustzijn waaruit een patiënt, ondanks pijnprikkels, niet te wekken is.

    Lees verder ›
  • Testosteron

    Evaluatie van de androgeenstatus.

    Lees verder ›
  • Farmacogenetica

    Niet alle patiënten reageren hetzelfde op het gebruik van een geneesmiddel. Dat kan inhouden dat de ene patiënt veel bijwerkingen ervaart, terwijl een andere patiënt geen baat heeft bij bepaalde medicatie. Voor sommige geneesmiddelen wordt daarom de bloedspiegel bepaald, waarop de dosis kan worden aangepast om deze tot een therapeutisch niveau te brengen. Een deel van de variatie in de effectiviteit en bijwerkingen van een geneesmiddel kan verklaard worden door verschillen in afbraaksnelheid (metabole activiteit) tussen patiënten van geneesmiddelen door de lever. Deze verschillen worden deels veroorzaakt door variaties in de genetische achtergrond van mensen, oftewel het DNA.

    Lees verder ›
  • Diabetes mellitus ICPC-2: T89;T90; ICD-10: E10;E11;E12;E13;E14

    Diabetes mellitus wordt gekenmerkt door verhoogde bloedglucosewaarden en een verhoogde kans op ontstaan van complicaties van ogen, zenuwen, nieren, hart en bloedvaten. Bij diabetes mellitus type 2 is er tevens vaak sprake van hypertensie, vetstofwisselingsstoornissen en andere metabole veranderingen samenhangend met insulineresistentie die tezamen de atherosclerose versnellen en het risico van hart- en vaatziekten aanzienlijk verhogen.

    Lees verder ›
  • Porfyrie ICPC-2: T99; ICD-10: E80

    Porfyrie omvat een groep metabole ziekten, waarbij de synthese van haem is gestoord.

    Lees verder ›
  • Acute nierschade ICPC-2: U99; ICD-10: N17

    Ziektebeeld, gekenmerkt door een snelle achteruitgang van de glomerulaire filtratiesnelheid (uren-dagen), zich uitend in een snelle stijging (ten minste 44 µmol/l per dag) van het creatinine in serum of plasma met daarbij meestal een afname van de urineproductie. Voor bijkomende begrippen wordt verwezen naar Nierschade, algemeen.

    Lees verder ›
  • Chronische nierschade ICPC-2: U99; ICD-10: N18

    Van chronische nierschade (CNS) wordt gesproken als er meer dan 3 maanden sprake is van persisterende albuminurie of persisterende afwijkingen in het urinesediment al dan niet gepaard gaande met een verminderde glomerulaire filtratie, of wanneer sprake is van een verminderde GFR met of zonder aanwijzingen voor nierschade (= persisterende albuminurie of sedimentsafwijkingen).

    Lees verder ›
  • Urineonderzoek, kwalitatief

    Onderzoek bij verdenking op afwijkingen aan of ziekten van de nieren en de urinewegen.

    Lees verder ›
  • Insulineachtige groeifactor 1 (IGF-1)

    Het beoordelen van de groeihormoonstatus bij verdenking van zowel groeihormoondeficiëntie als acromegalie en het beoordelen van het effect van groeihormoontherapie.

    Lees verder ›
  • Pylorushypertrofie bij pasgeborenen ICPC-2: D81; ICD-10: Q40.0

    Pylorushypertrofie is een verdikking van de kringspier van de maag, leidend tot vernauwing van de maaguitgang. Daardoor ontstaat een maagledigingsstoornis die gepaard gaat met niet-gallig, krachtig braken (projectielbraken).

    Lees verder ›
  • Ammonium

    Vaststellen of de verwerking van ammonium in het lichaam gestoord is.

    Lees verder ›
  • Hyperventilatiesyndroom ICPC-2: R98; ICD-10: R06.4

    Hyperventilatie staat voor een verhoogde ventilatie (hoger dan voor het metabolisme op dat moment noodzakelijk is). Met andere woorden ‘te snel en/of te diep ademen’. Op zichzelf is dit geen ziekte, maar een verstoord adempatroon met een meer dan normaal in- en uitademen. Omdat het lichaam daarop niet is ingesteld en zich probeert aan te passen, kan een verscheidenheid aan klachten ontstaan.

    Lees verder ›
  • Artrose ICPC-2: L91; ICD-10: M19.9

    Artrose of osteoartritis is een traag evoluerende gewrichtsaandoening gekenmerkt door progressief verlies van kraakbeen met veranderingen in het subchondrale bot en het bot ter plaatse van de gewrichtsranden. Dit gaat gepaard met gewrichtspijn na belasting, stijfheid en bewegingsbeperking.

    Lees verder ›
  • Carnitine

    Meting van de concentraties van vrij L-carnitine en acylcarnitine species in plasma vindt plaats wanneer gedacht wordt aan een defect in de mitochondriële β-oxidatie van vetzuren (vetzuuroxidatiedefect, VZOD) of aan een organo-acidurie.

    Lees verder ›
  • HbA1c

    Bepaling van HbA1c/glycohemoglobine.

    Lees verder ›
  • Epilepsie ICPC-2: N88; ICD-10: G40

    Epilepsie wordt gekenmerkt door het herhaald optreden van epileptische aanvallen. Dat zijn aanvallen van gedragsverandering of sensaties die het gevolg zijn van excessieve ontladingen van (populaties van) neuronen in de hersenen.

    Lees verder ›
  • Hartfalen ICPC-2: K77; ICD-10: I50

    De diagnose hartfalen berust op drie pijlers: symptomen passend bij hartfalen, bevindingen bij lichamelijk onderzoek passend bij hartfalen, en objectief bewijs voor een structurele of functionele afwijking van het hart in rust.1

    Lees verder ›
  • Purines en pyrimidines

    Het bepalen van het purine- en pyrimidinemetaboliet profiel in lichaamsvloeistoffen.

    Lees verder ›
  • Icterus neonatorum ICPC-2: A94; ICD-10: P57;P58;P59

    Gele verkleuring van de huid en conjunctivae ten gevolge van een hoge bilirubineconcentratie in het bloed bij de pasgeborene.

    Lees verder ›
  • Ziekte van Addison ICPC-2: T99; ICD-10: E27.1

    De ziekte van Addison is een primaire bijnierschorsinsufficiëntie, met uitval van de in de bijnierschors geproduceerde steroïdhormonen (glucocorticoïden, mineralocorticoïden en androgenen), veelal als uiting van een auto-immuun adrenalitis.

    Lees verder ›
  • Bilirubine

    Bepaling van verhoogd bilirubinegehalte.

    Lees verder ›
  • Calcium

    Vaststellen of uitsluiten van een ontregeling van de calciumhomeostase. Vervolgen van de behandeling van hyper- of hypocalciëmie.

    Lees verder ›
  • Groeistoornissen bij kinderen: te klein ICPC-2: T10; ICD-10: E34.3

    Kleine lichaamslengte is een relatief begrip. Internationaal wordt als definitie gewoonlijk aangehouden een lengte die meer dan 2,0 standaarddeviaties (SD) lager is dan de gemiddelde lengte voor leeftijd en geslacht in de populatie, oftewel een standaarddeviatiescore (SDS) voor de lengte van < -2. Dit komt ongeveer overeen met een lengte beneden het 2e percentiel (< P2,3).

    Lees verder ›
  • Microglobuline, β2- (β2M)

    Vaststellen van de concentratie van β-microglobuline (β2M) in serum, urine of liquor.

    Lees verder ›
  • Ureum

    Inzicht verkrijgen in de functie van de nieren door het gelijktijdig of afzonderlijk meten van ureum in serum(plasma) en urine en de berekening van de ureumklaring. Daarnaast hebben de metingen afzonderlijk of gecombineerd tot doel het vervolgen van (chronische) stoornissen van de nierfunctie alsook van het effect van de behandeling daarvan; in geval van nierdialyse, het regelen van de dialysedosis en het betrouwbaar schatten van eiwitinname.

    Lees verder ›
  • Vasoactief intestinaal polypeptide (VIP)

    Bepalen van VIP in het plasma voor de diagnose en follow-up van VIP-producerende neuro-endocriene tumoren.

    Lees verder ›
  • Anurie ICPC-2: U05; ICD-10: R34

    Anurie betekent een urineproductie van < 50 ml/dag; oligurie een urineproductie van 50-400 ml/dag. Voor oligurie wordt verwezen naar de klinische probleemstelling Nierinsufficiëntie, acute.

    Lees verder ›
  • ‘High-density lipoprotein’-cholesterol (HDL-c)

    Bepaling van ‘high-density lipoprotein’-cholesterol (HDL-cholesterol) in serum/ heparineplasma.

    Lees verder ›
  • Liquor cerebrospinalis, chemisch onderzoek en cellen

    Onderzoek van liquor cerebrospinalis bij neurologische vraagstellingen.

    Lees verder ›
  • Methylmalonzuur (MMA)

    Het opsporen van erfelijke of verworven stoornissen in het metabolisme van methylmalonzuur; het bevestigen of ontkennen van een vitamine B-deficiëntie op cellulair niveau.

    Lees verder ›
  • Obstipatie ICPC-2: D12; ICD-10: K59.0

    Obstipatie is een symptoom, geen ziekte-entiteit. Vanwege de grote variatie in de normale uitdrijving van feces, is het moeilijk om aan te geven wat nu precies onder obstipatie wordt verstaan. Een bruikbare definitie is: een voor de betrokkene abnormaal veranderd defecatiepatroon waarbij te weinig, te harde en/of te moeilijk produceerbare ontlasting wordt geloosd.1

    Lees verder ›
  • Urolithiasis ICPC-2: U95; ICD-10: N20;N21;N22

    De aanwezigheid van stenen in de urinewegen.

    Lees verder ›
  • Medisch laboratoriumonderzoek

    1 Algemene inleiding

    Lees verder ›
  • Adiponectine

    Het doel is de meting van de concentratie van adiponectine in verband met mogelijke stoornissen bij obesitas, atherosclerose, diabetes mellitus type 2.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen eilandjes van Langerhans

    Differentiële diagnostiek van diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen glutaminezuurdecarboxylase (GAD)

    Differentiële diagnostiek van diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen insulinoma antigen-2 (IA-2)

    Differentiële diagnostiek van diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Antistoffen tegen (paraneoplastische) neuronale antigenen

    Diagnostiek bij verdenking op paraneoplastisch neurologisch syndroom en auto-immuunencefalitis.

    Lees verder ›
  • Carpaletunnelsyndroom ICPC-2: N93; ICD-10: G56.0

    Het carpale-tunnelsyndroom (CTS) bestaat uit symptomen, die het gevolg zijn van een compressie (entrapment) van de N. medianus in de carpale tunnel.

    Lees verder ›
  • Chronische-vermoeidheidssyndroom ICPC-2: A04; ICD-10: G93.3

    Het chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) is een beschrijvende diagnose, een diagnose per exclusionem. CVS wordt gekenmerkt door onverklaarde, ten minste 6 maanden bestaande lichamelijke moeheid, die niet het resultaat is van voortdurende inspanning, niet aanzienlijk verbetert door rust en heeft geleid tot forse afname van vroegere niveaus van dagelijks functioneren.1 Naast moeheid kunnen allerlei andere symptomen aanwezig zijn, zoals spierpijn, concentratie- en geheugenproblemen, keelpijn, gevoelige lymfklieren, hoofdpijn, duizeligheid, slaapproblemen, maag-darmklachten en depressieve klachten.

    Lees verder ›
  • Galactosetolerantietest

    Deze test is vervangen door het onderzoek dat plaatsvindt uit het bloed van de hielprik bij pasgeborenen naar galactosemie.

    Lees verder ›
  • Delier ICPC-2: P71; ICD-10: F05

    Een delier is een in korte tijd (uren tot enkele dagen) ontstane fluctuerende stoornis van bewustzijn en cognitie, in de regel het gevolg van een lichamelijke ontregeling.

    Lees verder ›
  • Dementie ICPC-2: P70; ICD-10: F03

    Dementie is een verworven klinisch syndroom, waarbij meervoudige cognitieve functiestoornissen centraal staan. Het betreft de aanwezigheid van minimaal 2 van de volgende stoornissen:

    Lees verder ›
  • Glucose-6-fosfaatdehydrogenase in erytrocyten (G6PD)

    Het meten van de activiteit van glucose-6-fosfaatdehydrogenase in erytrocyten.

    Lees verder ›
  • Diabetische voet ICPC-2: T90;T89; ICD-10: E14.5

    Het begrip diabetische voet omvat een verscheidenheid van afwijkingen aan de voeten, die alleen of in combinatie vaker voorkomen bij patiënten met diabetes mellitus.

    Lees verder ›
  • Duizeligheid ICPC-2: N17; ICD-10: R42

    Duizeligheid is een onaangename sensatie van bewegingspatronen die in werkelijkheid niet bestaan; het is een verzamelnaam voor uiteenlopende vormen van onvast-zijn, zoals draaiduizeligheid, zweverigheid, licht gevoel in het hoofd en balansstoornis. Draaiduizeligheid of vertigo is de illusie van het ondergaan van een draaibeweging.

    Lees verder ›
  • Legionella pneumophila

    is een langzaam groeiende aerobe, gramnegatieve bacterie met bijzondere groei-eisen. Voor de kweek zijn speciale voedingsbodems vereist met actieve koolstof, cysteïne en andere speciale ingrediënten. Hierdoor heeft het tot 1976 geduurd voordat de bacterie voor het eerst in kweek gebracht werd na een uitbraak van pneumonie bij een bijeenkomst van Amerikaanse veteranen in Philadelphia. Van zijn vijftien serotypen bekend; behalve zijn er nog zo’n veertig andere -soorten bekend.

    Lees verder ›
  • Lipoproteïnen

    Onderzoek naar lipiden en (apo)lipoproteïnen.

    Lees verder ›
  • Mucopolysachariden (glycosaminoglycanen, GAG), screening in urine

    Nagaan of bij de patiënt een mucopolysacharidose (bindweefselziekte, verkeerde samenstelling van weefselvocht of van de extracellulaire matrix) aanwezig kan zijn, ofwel cellulaire opslag van mucopolysachariden in verschillende weefsels door een tekort aan een of meer lysosomale enzymen. De overmaat aan opgeslagen mucopolysachariden wordt in de urine uitgescheiden.

    Lees verder ›
  • Myoglobine

    Vaststellen van spierschade en risico-inschatting op acuut nierfalen.

    Lees verder ›
  • Neonatale hielprikscreening

    Alle pasgeborenen in Nederland worden gescreend op aangeboren ziekten middels de neonatale hielprikscreening. Tussen 72 en 168 uur na de geboorte wordt via deze hielprik een aantal druppels bloed verzameld op een strook filtreerpapier van een hielprikkaart. Afname gebeurt in het ziekenhuis door verpleegkundigen of medewerkers van het klinisch-chemisch laboratorium, en buiten het ziekenhuis door verloskundigen of door medewerkers van zogenaamde screenteams die onder verantwoordelijkheid van een thuiszorgorganisatie vallen.

    Lees verder ›
  • Organische zuren

    Analyse van organische zuren in urine voor het aantonen, follow-up of bevestigen van erfelijke stoornissen in het intermediaire metabolisme.

    Lees verder ›
  • Heuppijn/Mank lopen bij kinderen ICPC-2: L13;L29; ICD-10: R26

    Heuppijn is pijn gelokaliseerd in het gebied van het heupgewricht. Het heupgewricht wordt gevormd door het acetabulum en het caput femoris. Kinderen kunnen de precieze plek van de pijn vaak moeilijk aangeven. Jonge kinderen klagen niet over pijn, maar lopen mank of weigeren te lopen: ook oudere kinderen kunnen mank lopen zonder over pijn te klagen.

    Lees verder ›
  • Prenatale diagnostiek

    De hier te bespreken prenatale diagnostiek behoort nu, 2019, bij de traditionele methoden om prenatale diagnostiek uit te voeren. Traditionele methoden, zoals het invasief verzamelen van foetaal genetisch materiaal bij de vlokkentest of de vruchtwaterpunctie, hebben een risico op spontane abortus. Door de ontdekking, voor het eerst gemeld in 1997, van de aanwezigheid van foetaal DNA ( DNA, cffDNA) in de circulatie van zwangeren is het mogelijk geworden om op niet-invasieve wijze uit het bloed van de moeder genetische en chromosomale informatie te verkrijgen. De toepassing van deze mogelijkheden in de kliniek heeft geleid tot een sterke afname van de invasieve procedures. Er blijft zeker ruimte voor het uitvoeren van deze invasieve technieken als vervolg op een positieve uitslag bij de niet-invasieve screeningstests.

    Lees verder ›
  • Leukocytose ICPC-2: B84; ICD-10: D72.8

    Leukocytose is een toename van het aantal leukocyten (> 10 x 109/l) in het perifere bloed.

    Lees verder ›
  • Urinezuur

    Vaststellen van hyperurikemie.

    Lees verder ›
  • Vitamine B12

    Het bevestigen van een vitaminetekort als vermoedelijke oorzaak van neurologische en hematologische aandoeningen door het meten van de concentraties van vitamine B en/of foliumzuur in het bloed. Voor beide vitamines geldt dat er een grijs gebied tussen voldoende aanwezigheid en ernstig tekort in het bloed bestaat waarin de gemeten bloedconcentratie geen eenduidig antwoord geeft op de vraag of in de weefsels zelf een tekort bestaat. Door het meten van de metabolieten homocysteïne en/of methylmalonzuur in plasma c.q. serum kan men daarover uitsluitsel krijgen (zie Homocysteïnetest en Methylmalonzuur (MMA)).

    Lees verder ›
  • Nefrotisch syndroom ICPC-2: U88; ICD-10: N08

    Nefrotisch syndroom is een symptomencomplex dat wordt gekenmerkt door oedeem, proteïnurie, hypoalbuminemie en hyperlipidemie. Proteïnurie wordt in dit kader gedefinieerd als eiwituitscheiding in de urine van meer dan 3,5 gram per 24 uur (nefrotische proteïnurie).

    Lees verder ›
  • Pancreatitis ICPC-2: D99; ICD-10: K85;K86

    Pancreatitis is een ontsteking van het pancreas. Van acute pancreatitis kunnen 2 vormen worden onderscheiden, namelijk acute interstitiële (in het algemeen licht en zelflimiterend) en acute necrotiserende pancreatitis (ernstige vorm; de mate van necrose correleert met de ernst van de aanval en de systemische manifestaties).1 Om de ernst van een acute pancreatitis te voorspellen, wordt vaak gebruik gemaakt van classificatiesystemen zoals de APACHE II-score, de Glasgowscore of de Ransoncriteria.2

    Lees verder ›